'Als Shell opruimt kunnen wij verder leven'

In een uithoek van Nigeria voert een klein volk een gevecht tegen een machtig concern. De Ogoni, 500.000 in getal en slechts een van de 250 stammen in Nigeria, eisen dat Shell vergoeding betaalt voor de jarenlange vervuiling van hun grond. Een van de Ogoni-leiders, de schrijver Ken Saro-Wiwa, begon deze week in Nederland aan een rondreis door Europa om sympathie en geld te vragen voor zijn strijd.

De Ogoni bewonen een van de olierijkste gebieden in Nigeria, de delta van de rivier de Niger in het zuiden van het land. Hun woongebied in de River State ligt precies tussen twee belangrijke olie-steden, Port Harcourt aan de kust en Warri verder landinwaarts.

Shell heeft acht olievelden, circa tweehonderd boorputten en petrochemische industrie in de rivierdelta, die voor een groot deel bestaat uit moerassen. Deze aanwezigheid heeft het landschap blijvend veranderd. De olievelden zijn ondergronds verbonden door een netwerk van leidingen met een totale lengte van vijfduizend kilometer. Bovengronds branden overal, dag en nacht, gasvlammen. Tot voor kort, want sinds het begin dit jaar onrustig werd in het gebied heeft Shell zich tijdelijk teruggetrokken. Nu is het stil. “Eindelijk kunnen we 's nachts rustig slapen,” zegt Saro-Wiwa, “en hoeven we niet meer te schreeuwen als we buiten met elkaar praten.”

Vijfendertig jaar lang kregen de Ogoni niets te zien van de miljarden dollars die Shell in hun gebied uit de grond haalde. De meeste Ogoni leven in zelfgemaakte hutjes en zijn straatarm. De bevolkingsdichtheid behoort tot de hoogste van het Afrikaanse platteland en er is groot gebrek aan grond. Veel grond is door lekkende olieleidingen onbruikbaar geworden, het water vervuild. Traditionele beroepen als boer, visser of bijenhouder kunnen nauwelijks meer worden uitgeoefend. Er zijn vier artsen, één per 125.000 inwoners. Volgens het blad de African Guardian is de levensverwachting in het gebied 45 jaar tegen 57 in de rest van het land. Door de uitstoot van de industrie hebben veel Ogoni lichamelijke klachten, waaronder ademhalingsstoornissen en misselijkheid.

Deze situatie is zeker niet uniek voor de Ogoni. Ook andere Nigeriaanse volken, zoals de Isoko, wonen op de olie, zien niets van de opbrengst en lijden onder de bijverschijnselen. De Nigeriaanse regering, die een belang van 55 procent heeft in Shell Nigeria en tachtig procent van haar inkomsten dankt aan de olie van Shell, pompt nauwelijks iets van het geld terug in de streken waar het vandaan komt.

Maar anders dan andere volken laten de Ogoni van zich horen. Saro-Wiwa richtte in 1990 de Beweging voor de Overleving van het Ogoni-volk (MOSOP) op. De MOSOP bracht de zaak onder de aandacht van Amnesty International en meldde de Ogoni aan bij de UNPO, de tegenhanger van de Verenigde Naties voor volken die in de organisatie niet vertegenwoordigd zijn. Saro-Wiwa maakt gebruik van het feit dat 1993 door de VN is uitgeroepen tot het jaar van de inheemse volkeren, door juist nu zijn zaak onder de aandacht van de wereld te brengen.

Saro-Wiwa strijdt tegen Shell en tegen de Nigeriaanse regering, maar vooral tegen Shell. Hij erkent dat de regering meer zou moeten doen, maar vindt dat dit Shell niet vrijpleit. “Als Shell zou komen om de troep op te ruimen zouden we het leven hier kunnen hervatten. Shell heeft de rotzooi gemaakt, de technologie is van hen. Tot 1977 had de regering er helemaal niets mee te maken omdat ze nog geen aandelen hadden in het bedrijf.” Shell heeft, volgens Saro-Wiwa, geprofiteerd van de argeloosheid van de Ogoni door het niet zo nauw te nemen met de normen voor toelaatbare vervuiling. “Shell had de keus. Ze konden het netjes doen, zoals in Europa en de Verenigde Staten, of niet. Shell zegt dat het bedrijf de Amerikaanse normen hanteert als de normen van het land waar ze boren niet strikt genoeg zijn. Maar dat hebben ze hier niet gedaan.”

Ondanks de activiteiten van Saro-Wiwa en zijn beweging is de situatie dit jaar verslechterd. Bij geweldsuitbarstingen, waarvan de daders niet precies bekend zijn, kwamen tientallen, mogelijk honderden Ogoni om het leven. Volgens Saro-Wiwa wordt zijn volk geleidelijk uitgemoord omdat het te lastig is. Hij sluit betrokkenheid van Shell niet uit. Het concern en de regering van River State spreken echter van etnische conflicten tussen de Ogoni en een buurvolk, de Andoni, waar Shell noch de regering iets mee te maken hebben.

Vooral de afgelopen vier maanden nam het geweld toe. In juli werden 56 Ogoni vermoord op de boot waarmee ze terugkeerden uit Kameroen. De daders lieten twee vrouwen ontsnappen en vertelden hun, dat de slachting was aangericht door de Andoni. Begin augustus werden twee Ogoni-dorpen aangevallen door gewapende mannen en vernietigd. De schatting van het aantal doden loopt uiteen: MOSOP spreekt van duizend, de African Guardian van 35 doden. Ook in dit geval zou het om een etnisch conflict gaan. De regering stuurde troepen en een onafhankelijke bemiddelaar naar het gebied. Er kwamen zelfs een vredesconferentie en een vredesakkoord, dat echter niet door Saro-Wiwa werd ondertekend. Volgens hem leven de Ogoni en de Andoni al jaren in volstrekte harmonie en is een vredesakkoord niet nodig.

Shell maakt zich ongerust over de situatie, zeker nu die internationale aandacht begint te krijgen. In een intern memo van het bedrijf uit februari schrijft Shell: “De grootste nadruk van de activisten lijkt nu te liggen op het verkrijgen van internationale erkenning voor de problemen van olieproducerende gebieden door gebruik van de media en pressiegroepen. (...) Dit brengt voor Shell een risico met zich mee.” Op deze constatering volgt een prioriteitenlijstje voor de oplossing van de problemen. Reductie van oliemorsingen en de overlast van de gasvlammen staan bovenaan.

Woordvoerder Eric Nickson van Shell International in Londen vindt dat zijn bedrijf zijn verantwoordelijkheden tegenover de Ogoni nakomt. “Natuurlijk barsten er leidingen en wordt er olie gemorst. Dat is onvermijdelijk. Maar in zulke gevallen maken we schoon wat we schoon kunnen maken en betalen we een vergoeding aan de getroffenen.”

De laatste tijd lekt de meeste olie volgens Nickson overigens niet weg door technische defecten, maar door sabotage. Shell heeft zich teruggetrokken uit de streek omdat de situatie te gevaarlijk werd voor het personeel. “In januari is een personeelslid van Shell mishandeld en zijn auto in brand gestoken. Dat ging te ver.” Shell wil echter zo snel mogelijk de werkzaamheden hervatten en heeft zich tot de UNPO gewend voor bemiddeling om tot een dialoog met de Ogoni te komen.

Saro-Wiwa ontkent dat er een personeelslid van Shell is mishandeld. Omgekeerd ontkent Shell dat op 25 oktober een 18-jarige Ogoni-jongen werd doodgeschoten toen Shell met de assistentie van Nigeriaanse militairen twee gestolen brandweerauto's wilde terughalen uit een Ogoni-dorp, zoals MOSOP beweert. Volgens Nickson is bij het incident alleen een van de militairen gewond geraakt, toen de groep werd aangevallen door Ogoni-jongeren.

Zo gaan de beschuldigingen over en weer. Saro-Wiwa's suggestie dat Shell op een of andere manier betrokken is bij de aanvallen op de Ogoni noemt Nickson “nogal ondeugend van meneer Saro-Wiwa”. “Er is een conferentie geweest waarop vertegenwoordigers van Shell en van de Ogoni aanwezig waren. Wij hebben de Ogoni gevraagd bewijzen te geven voor de betrokkenheid van Shell. Die konden ze niet geven.”

Saro-Wiwa erkent dat concrete bewijzen ontbreken, maar vindt de bewering niet ver gezocht. “Shell heeft zich altijd meteen tot de regering gewend als er problemen waren. Ze praten niet met ons, ze rennen meteen naar de gouverneur en vragen om troepen. De gouverneur is een voormalige werknemer van Shell, dus ze vinden een willig oor.”

De Ogoni vormen slechts een van de drie volken in heel Afrika die het initiatief genomen hebben zich bij de UNPO aan te sluiten. Honderden andere Afrikaanse volken zitten op een vergelijkbare manier in de verdrukking en overal in Afrika worden stammentegenstellingen uitgebuit door regeringen om het eigen beleid door te drukken. Saro-Wiwa vindt het belangrijk dat zijn volk nu ten minste protesteert. “Als inheemse volkeren zich bewust worden van de manier waarop ze worden uitgebuit, is het vaak al te laat, kijk maar naar de Aboriginals. De Ogoni waren een achtergestelde, verachte groep. Nu zijn ze bereid te vechten.”

    • Joke Mat