Zwijn

Maandagochtend om een uur of acht over de Dam lopend werd ik verrast. Op het kruispunt der diagonalen van het nationale plein stond op zijn achterste poten een deftig aangekleed zwart zwijn. Voor zwijnen heb ik een zwak; voor de volwassen, energiek dravende dieren en nog meer voor de vrolijke biggen in hun grofharige verticaal gestreepte pyama's. Maar 'zwijn' is nu eenmaal een scheldwoord in alle moderne talen, en je zou wel een Don Quichotte zijn als je daar tegenin ging.

Zoals de paar andere mensen die op dat ogenblik over de Dam liepen, geloofde ik eerst dat het een verklede man was die een standbeeld nadeed. De afgelopen zomer is Amsterdam met zulke standbeelden bezaaid geweest - Chaplins, Thorbeckes, Erasmussen, sommige bewonderenswaardig in hun geacteerde verstening of verbronzing - zodat ik aan het zwijn gevoeld heb. Het was een echt standbeeld dat daar anoniem was neergezet om, zoals een koperen plaatje op de sokkel meldde, ons aan te moedigen het zwijn in ons zelf te herkennen en te bestrijden. Ik werd meer aangesproken door het beeld dan door de boodschap. Ja, werkelijk, het was met zijn rustige oogopslag, in zijn lange jas en met zijn stevige zwijnspoten uit de mouwen, een beest waar je vertrouwen in zou stellen; een waardige voorzitter van de Hoge Raad of een minister-president. Hadden we nog maar zulke sterke zwijnen in Den Haag.

Orwell heeft in zijn Animal Farm een zwijn tot held verheven; Napoleon, die het slechtste in de politiek vertegenwoordigt. Bij Grandville komen zwijnen voor die menselijk zijn zonder dat ze de traditionele slechtheid dragen die wij aan de diersoort toeschrijven. Als ik op de Dam niet de toelichting had gelezen, zou ik misschien hebben verondersteld dat het standbeeld er stond om het eten van zwijnsbout te bestrijden. Met andere woorden: de kunstenaar heeft een inzicht in het wezen van het zwijn gehad dat boven de urgentie van de boodschap uitging - althans voor mij die van levende zwijnen houdt. Anders gezegd: zijn liefde voor het echte zwijn was sterker dan deze onuitroeibare metafoor.

Niettemin staan we hier voor een andere vraag: komt de geëngageerde kunst terug? Deze zomer heeft het Whitney Museum of American Art een kleine tentoonstelling gehad getiteld The Subject of Rape. De subcultuur van seksueel geweld in de Amerikaanse samenleving met de verkrachting als voltooiïng nadert tot een volkspest - afgezien van de gruwelijkheid vergelijkbaar met het stelen van een fiets in Nederland. De tentoonstelling in het Whitney Museum bestond uit kranteberichten, foto's, schilderijen, videofilms en voorwerpen waarbij dit geheel niet alleen diende om het publiek van het kwaad 'bewust te maken' maar ook als een krachtige aanmoediging om het tegen te gaan. Het was allemaal goed doordacht en er was ook een boekje te koop met vijf ernstige essays, stuk voor stuk geschreven voor de hoger opgeleide kunstliefhebber. Er was ook een soort pamflet dat alleen die bezoekers ontdekten die in het museum naar de wc gingen. Op het papier daar staat een aantal wetenswaardigheden over deze misdaad, in een zo geraffineerde lay-out dat je denkt: daar neem ik een voorraadje van mee, dat is een collector's item.

Op een andere manier is dit hetzelfde dilemma als dat van het zwijn. Er wordt ons een vondst voorgetoverd, het is mooi maar de laatste vraag die voortkomt uit de diepste bedoeling wordt er niet mee beantwoord. Helpt het? Ik wed op nee.

Het engagement in de kunst en de literatuur is ontstaan en gegroeid aan het einde van de Tweede Wereldoorlog en de eerste jaren daarna. Het heeft als grote stroming in de kunst zijn laatste bloeitijd gehad in de jaren zestig. Zelfs in een hele pagina valt niet te beschrijven wat de verdiensten, de vergissingen en de mislukkingen van het engagement zijn geweest, en bovendien zou zo'n poging de oorzaak zijn van een geweldige ruzie. Maar het zou geen wonder zijn als het engagement in deze jaren van toenemende smeerlapperij ('zwijnerij') terugkeerde, niet als straatrumoer maar als onderzoek naar de oorzaak waardoor de kunst niet goed lijkt te beseffen wat er op straat gebeurt, of er zich met een tentoonstelling in het Whitney Museum of een mooi spontaan standbeeld op de Dam vanaf maakt.

    • H.J.A. Hofland