U kunt ermee doorspotten; De bevreemdende anekdotes van Tonnus Oosterhof

Tonnus Oosterhoff: De ingeland. Uitg. De Bezige Bij. 46 blz. Prijs ƒ 29,50.

In een van de gedichten uit de nieuwe bundel van Tonnus Oosterhoff zit iemand voor de buis naar een medisch programma te kijken. Erg interessant schijnt het niet te zijn, want de documentaire heeft, zo woordspeelt de dichter, 'een afgezaagde loop'. Hij ziet een arts gebaren maken bij 'blauwe foto's' (dat zullen wel röntgenfoto's zijn) waarop zich een rug 'vol onderwatervulkanen' aftekent. De arts geeft commentaar bij wat hij ziet: 'Het lichaam is op verscheidene plaatsen', zegt hij - maar dan blijft de ondertiteling plotseling stilstaan, terwijl het beeld doorloopt.

Deze storing brengt de man in lichte verwarring. De onaffe zin blijft maar in beeld en zet hem aan het denken. Hij gaat hem letterlijk opvatten en dat brengt hem tot de volgende regels, waarin lichaam en geest van rol wisselen:

Steeds witter de zin in de weerschijn

van vele gezichten. O, lichaam, kon ik je maar krijgen!

Wat zou ik je raken! Maar nooit blijf je staan. Ik ben

zeker heel langzaam? Jij bent vlug als een geest. Jij bent

waar je wilt.

Daarna wordt op het scherm de fout hersteld en keert het gedicht naar zijn afgezaagde uitgangspunt terug. De omroepster biedt excuses aan, het woord Geduld verschijnt in beeld, de band wordt teruggespoeld en opnieuw gestart. Einde gedicht.

Zo gaat het vaak in de poëzie van Oosterhoff. In een licht bevreemdend arrangement speelt zich een licht bevreemdende anekdote af. Meestal gaat het dan om een geval van verstoring of ontregeling, gevangen in stroeve, helemaal niet lekker lopende regels. Oosterhoff is geen gladstrijker. Het lijkt vaak alsof zijn poëzie in de aanleg is blijven steken, alsof de ontregeling hem ter plekke overvalt, waardoor zijn verzen in ieder geval een aangename schijn van authenticiteit krijgen. Oosterhoff is een dichter zonder richting en zonder heldere lijn. Hij schrijft poëzie van het ene moment en van de ene inval, alsof hij bij ieder gedicht weer opnieuw begint.

Misschien moet de titel met die onbevangen houding in verband worden gebracht. Een ingeland (term uit het polderrecht) is een eigenaar van een ingedijkt stuk land. Zo zou Oosterhoff zich kunnen voelen: als de bezitter van kleine, ingepolderde, drooggelegde stukjes grond, veroverd op een zee van gedachten en indrukken. Volgens de flaptekst mag de titel op grond van de klank ook geassocieerd worden met woorden als ingewand of binnenland. Daaraan zou bijvoorbeeld ook dwingeland toegevoegd kunnen worden. We kunnen er dus nog alle kanten mee op. De 35 gedichten zijn niet in afdelingen ondergebracht. Hun volgorde lijkt ook niet aan een of ander geheim principe te gehoorzamen. Een vaste versvorm is er niet; eerder lijkt Oosterhoff zich tegen alle vormen te verzetten. Geen rijm, geen ritme. Veel tussenzinnen, veel tussenwerpsels, veel vragen en veel zinnen tussen haakjes. Een zin kan uit één woord, maar ook uit negentien woorden bestaan. Zo begint een gedicht, met deze onmogelijk lange vraag: 'Bussen hebben toch dikwijls een spiegelende ruit overdwars achter de deur in het midden?' Misschien wil de kernloze, gedesintegreerde indruk die deze bundel maakt ook wel weerspiegeld worden in vreemde vervoegingen als Ik houdt mij onzichtbaar en Ik verbrandt in mijn eigen vlam, al is de dichter in deze afwijking van de grammaticale regels ook weer niet erg consequent.

Oosterhoffs gedichten kunnen over van alles en nog wat gaan. Het enige dat ze gemeen hebben is dat er meestal wel ergens een draadje los zit. Er is een reeksje over de gek geworden Groningse schilder Gerrit van Houten. Er is een mooie bewerking van Gerrit Achterbergs gedicht 'Depersonalisatie'. Een gedicht gaat over de gewoonte van 'zekere Indianen' om een rode worm levend aan een halskoordje te rijgen en met zich mee te dragen. Er is het absurde relaas van een kankerpatiënt die door zijn doktoren allang is opgegeven, maar toch zijn werk in de gemeenteraad wil blijven doen ('in de politiek moet je duidelijk zijn'). En ook is er plaats voor de weinig coherente 'notities van een weggejaagde arts'. Het gaat dan om ruim drie bladzijden aantekeningen in proza, zodat de gedachte kan ontstaan dat Oosterhoff misschien wel geen dichter is - eerder een bedenker van gekke situaties en rare sketches die nu eens in de vorm van een fragmentarisch verhaal (zie zijn verhalenbundel Vogelzaken, 1991), dan weer in de vorm van een rafelig gedicht worden gegoten. Zijn grootste plezier lijkt Oosterhoff te beleven aan het spelen met register en idioom, met alle humoristische knaleffecten van dien. Hij is een meester in droogkomische terzijdes en quasi serieuze tussenzinnen. Iemand die zich heeft voorgenomen een bezoek aan een vulkaankrater te brengen weet heel goed tot hoever hij kan gaan: 'als de schoenen smelten moeten we terug'. In een ander gedicht krijgt iemand ongevraagd opmerkingen over zijn manier van lopen; de bemoeial wil hem een blessure aanpraten en waarschuwt alvast: 'U kunt ermee doorsporten maar/ naast het sportveld ligt het kerkhof, dat weet u.' Als een kennelijk niet al te talentvolle tenor zijn best doet op een aria, spitsen de cynische muziekkenners hun oren: 'Heeft de stofzuiger verdriet/ of is dat de stofzuiger niet?' En in een curieuze monoloog meent iemand heel goed te weten hoe het verder moet met de wereld: 'Naar mijn mening moet iedereen vanaf heden/ op slechtverwarmde huurkamers bivakkeren/ met betimmering foeilelijk.'

Is Oosterhoff dus vooral een dichter van rare regeltjes, brokkelig vertelde anekdoten, absurde uithalen met een hoog hilarisch gehalte? Het lijkt er na twee bundels wel op, want De ingeland onderscheidt zich maar in weinig van zijn grillige voorganger Boerentijger. 'Zinnen zijn schimmen', lezen we hier, en 'Alles wat er zo uitkomt is meegenomen', en die houding zorgt nogal eens voor duistere gedichten. Daar staat veel humor tegenover. Daar is niks mis mee, maar je krijgt her en der de indruk dat Oosterhoff meer wil zijn dan alleen een getapte dichter. Maar misschien vergis ik me. Zijn beste gedicht lijkt mij het cabareteske zelfportret 'Tonnus Oosterhoff', waarin de dichter toegeeft: 'Het is een genoegen/ Tonnus Oosterhoff te zijn.' Hij kan zich voorstellen dat wij ook wel Tonnus Oosterhoff zouden willen zijn, maar zeer beslist merkt hij op dat dat helaas niet zal gaan. En voor alle zekerheid voegt hij er nog eens aan toe: 'Dat gaat niet'.