Sneeuwballen met een steen erin

Het Nederlands Danstheater voert Perpetuum komend voorjaar opnieuw uit.

Achter het doek vermoedden we de dansers, maar dat doek bleef nog even dicht. Christof Escher, dirigent van het Nederlands Balletorkest hief zijn armen en bèng, daar begon het: onmiskenbaar een wals van Johann Strauss. Of die Johann nu de vader of de zoon is deed er niet toe: in de zaal, op het pluche van het Muziektheater van Amsterdam, begonnen we te gniffelen. Een aantal van ons kon een deinende beweging niet onderdrukken en hier en daar werd zelfs eventjes gekscherend ingehaakt.

Strauss, dat is een grapje, afgeschreven flauwekul. “Walsen met een houten poot” noemde mijn grootvader het, vanwege het onvermijdelijk loodzware accent op de eerste tel van iedere maat. Strauss, dat is goed voor een televisieconcert op de landerige nieuwjaarsmiddag. Voor mevrojen die vaak en luid 'ééénig' zeggen en voor hun meeuwgrijze mannen. Voor als je niks beters weet. Toen de EO voor het eerst in zijn bestaan een hele nacht radio moest verzorgen, werd er al die donkere uren lang muziek van Strauss gedraaid.

We keken, we luisterden en toen deinden we niet meer. Het gniffelen was ons vergaan.

Niet door het ballet dat we zagen. Dat was uit op spot, ook al spreekt het progammaboekje gespierde taal: Naharin zou met zijn choreografie de muziek van Strauss ontdoen van de 'vele clichébeelden die eraan kleven'. Hij heeft, wellicht toch bevreesd voor snobistische hoon, niet werkelijk aangedurfd om de Strauss-muziek te beluisteren of hij het voor het eerst hoorde. Een confrontatie met An der schönen blauen Donau, cliché der clichés, ging hij uit de weg en zijn stuk, Perpetuum noemde hij het, steekt toch in de allereerste plaats op de geijkte manier de draak met de walsen. Zijn danseressen zien er uit als punkprinsessen, zijn dansers gaan eerst gekleed in rode operette-uniformen en nadat ze die hebben verloren in wit soldatenondergoed.

Passen, bewegingen, mimiek en effecten zijn meestentijds moppig en uit op een grap en een frappe. Alleen tegen het slot van de voorstelling doet Naharin wat hij steeds al wilde: op de tonen van Strauss' Wiener Bonbons marcheren de dansers in een brede rij naar de rand van het podium. Hun gezichten staan strak, hun lijven intimideren en hun stappen zijn afgemeten. Ze bedreigen ons. Alleen dankzij de barrière van de voetlichten worden we gered en komen ze ons niet opvreten.

In tegenstelling tot de choreografie kwamen de walsen, polka's en marsen ons al steeds te na. Tot ons aanvankelijk tevreden dédain konden we de composities moeiteloos meeneuriën - waar leerden we dat en kunnen de volgende generaties dat eigenlijk ook? Maar meer en meer bleken het sneeuwballen met een steen erin. De muziek van Johan Strauss junior, want tot hem beperkte Naharin zijn ballet, is schijnzoet. Sardonisch, wuft, wild zijn die klanken in de werkelijkheid die dirigent Christof Escher eraan ontfutselde.

Na de voorstelling roezemoesde het, tussen de rijen, in de gangpaden en bij de vestiaire. Er werd niet over het ballet gepraat, er werd gesproken over Strauss. Wat een goeie muziek is dit, hoorde ik verschillende malen om me heen zeggen en zelf zei ik iets dergelijks.

'Goeie muziek', dat is een kwalificatie die niet past bij composities van meer dan honderd jaar oud. Die zijn 'mooi' en de walsen en marsen van Strauss zijn niet 'mooi' op die manier. Vaak klinken ze, als sfeermaker in de supermarkt, op het programma van een koffieconcert of onder de reclamespot van een maquillage-lijn, kledderig en wee en irritant. Hoe komt dat? Omdat Strauss dansmuziek schreef.

Dansmuziek is pas geslaagd als het uitnodigt tot net iets te vergaande erotiek. Ontneem Strauss zijn provocaties en je houdt een kleverig marsepeinen hart over. Voer het hardvochtig uit, luid, tiranniek, als een uitdagende, even welbespraakte als grofgebekte strijd tussen de seksen, en het wordt onweerstaanbaar. Dan is de wals goeie muziek zoals rock 'n roll goeie muziek is. Met een krachtige beat om de paren tot dansen te verlokken, een hoog volume om ze geen tijd met praten te laten verliezen, een groot meezing-gehalte om ze bij de les te houden en een strakke vorm. Die elementen onttrekken gemakkelijk een wereld aan geheime nuances aan het oor. Maar dat opwindende oerbos ligt klaar om zich te laten ontsluiten, al geeft het zich nooit zomaar gewonnen. Niemand minder dan John Lennon schopte de door de jaren heen afgesleten jive-song Be-Bop-A-Lula tot agressief, geladen, sexy leven. Strauss, van zijn Frühlingsstimmen tot zijn Egyptischer Mars, kreeg de opwinding, de bluf en de zinnelijke bravoure waar hij recht op heeft bij het Nederlands Dans Theater.