'Paradijs op aarde' werd plaats van bloed en wapens

Een golf van haat tegen het Indiase gezag heeft Kashmir de afgelopen weken overspoeld. Een einde aan de strijd tussen regering en separatistische moslims, waarbij sinds eind l989 al zo'n 10.000 mensen zijn gedood, lijkt verder weg dan ooit. Het voormalige 'paradijs op aarde' is een plaats van bloed en wapens geworden.

BIJBEHARA/SRINAGAR, 12 NOV. Met schrille, nerveuze stemmen hebben de vissers van het dorp Bijbehara in Indiaas Kashmir net uitgelegd hoe een van hen vorige maand tijdens het vissen in de rivier de Jhelum zomaar door Indiase militairen werd doodgeschoten, of er klinken dichtbij enkele geweerschoten. Als opgejaagde kippen vluchten ze allen hun armoedige huizen in.

De spanning in Bijbehara, waar ruim twee weken geleden 47 ongewapende betogers door de Indiase veiligheidstroepen werden gedood, is nog steeds om te snijden. Langs de hoofdweg, die door Bijbehara voert van Jammu naar Srinagar, staan om het andere huis zwaar bewapende militairen. Af en toe houden ze mensen aan, die ze ruw en met scherpe commando's doorzoeken op wapens, terwijl een van hun collega's er met getrokken machinegeweer bij staat. “Ze behandelen ons als vijanden, niet als Indiase burgers”, zegt een inwoner.

De Indiase autoriteiten staken op 15 oktober zelf de lont in het kruitvat dat de deelstaat Jammu en Kashmir al lange tijd is, door een beleg te beginnen van de Hazratbal-moskee in Srinagar. Daar hield zich op dat moment een groep gewapende militante moslims op. De militanten namen echter prompt ruim honderd pelgrims in gijzeling en sindsdien zit de zaak muurvast.

Journalisten mogen bijna elke dag even kijken bij het complex, waar in een blok kwarts een haar uit de baard van Mohammed - de Hazratbal - wordt bewaard. Aan alle kanten zitten achter stapels zandzakken militairen verschanst, die pogen warm te blijven bij temperaturen van rond het vriespunt. Achter hen steken de koepel van de moskee en de minaret scherp af tegen de hoge besneeuwde toppen aan de overkant van het beroemde Dal-meer. Uit de moskee zelf komt geen teken van leven, vermoedelijk zitten de militanten en hun gijzelaars, afgezien van enkele bewakers, zo dicht mogelijk bij elkaar tegen de bittere kou, want de stroom naar de moskee is afgesneden.

Het was een zeer riskante beslissing van de Indiase autoriteiten om juist de Hazratbal-moskee te belegeren. Voor het islamitische deel van de bevolking - en dat is de overgrote meerderheid in Kashmir - is die plaats niet alleen van religieuze betekenis maar vormt ze ook een politiek symbool. De belangrijkste naoorlogse politicus van Kashmir, de bijna legendarische Sheikh Mohammed Abdullah, placht daar voor de traditionele vrijdagsgebeden zijn grote politieke toespraken te houden. De Hazratbal-moskee werd zo voor de Kashmiri's een belangrijk onderdeel van hun identiteit, een soort barometer ook van de toestand in hun gebied. In 1963, toen de Hazratbal enige tijd verdween om later weer op mysterieuze wijze op te duiken, leidde dit onmiddellijk tot ernstige politieke onrust in Kashmir.

Het beleg van de moskee heeft een soortgelijk effect gehad. Srinagar lijkt sinds half oktober op een stad onder vreemde bezetting. Duizenden militairen en paramilitairen patrouilleren in de straten, steeds nerveus om zich heen kijkend of ze niet plotseling uit een steegje onder vuur worden genomen.

Op bevel van de islamitische verzetsgroepen gingen de winkels dicht. Hun woord is voor de meeste Kashmiri's wet, omdat ze nogal eens hardhandig omgaan met mensen die hen niet gehoorzamen. De winkels zijn sindsdien slechts af en toe open geweest, waardoor de stad en ook de omringende dorpen een doodse indruk maken. Alleen een enkel groentestalletje is open en de waren zijn er te koop tegen buitensporige prijzen.

Veel bedrijvigheid op het Dal-meer is er niet. Er zijn maar een paar shikaras, de ranke bootjes van de lokale bevolking, te zien. De beroemde houseboats, waarop in de vorige eeuw Britse ambtenaren ontspanning zochten en in later dagen Westerse toeristen, liggen er verlaten bij. Bijna alle hotels zijn gesloten of door het leger geconfisqueerd. Veel huizen staan leeg, de hindoe-bewoners achtten het veiliger om te vertrekken.

Weggedoken in hun lange wollen pheran, een lange grijs wollen gewaad zonder rits of knopen, bespreken groepjes kleumende mannen de laatste nieuwtjes over het beleg. Sommigen weten met zekerheid te melden dat de militanten en de pelgrims geen voedsel en medicijnen krijgen, ook al meldt het leger regelmatig dat dit wel degelijk gebeurt.

Ook voor een andere grote moskee, de Jami Mashid in het centrum van Srinagar, staat zo'n groepje mannen. Er bestaat voor hen geen enkele twijfel dat alle mensen in de moskee, inclusief de bewapende militanten, vrijuit dienen te gaan. Tegenover een buitenlander kennen ze geen enkele vrees om openlijk voor hun mening uit te komen. “Wij steunen iedereen die tegen India vecht”, zegt een winkelier. “Wij willen noch bij Pakistan, noch bij India”, verklaart een ander, “We willen gewoon onafhankelijkheid, een soevereine staat, net als de Verenigde Staten.”

De omstanders knikken instemmend. Het is een standpunt dat de meeste Kashmiri's lijken te delen. Dan komt een legerpatrouille hun kant op en onmiddellijk stuiven alle mannen weg. Slechts een groepje vrouwen dat wat groente op de grond heeft uitgestald blijft achter, wetend dat de kans klein is dat hen wat zal gebeuren.

Het bloedbad in Bijbehara, 40 kilometer ten zuiden van Srinagar, sproot voort uit het beleg van de Hazratbal-moskee. De dorpelingen wilden een demonstratie houden tegen het beleg, maar toen ze de grote weg bereikten, openden militairen het vuur op de menigte. Indiase functionarissen hebben sindsdien toegegeven dat dit een vreselijke blunder was, maar het leger houdt vol dat er eerst vanuit de menigte op hen was geschoten, een versie die door ooggetuigen niet is bevestigd.

In een parkje in Bijbehara, waar een maand geleden jongetjes nog cricket speelden, liggen nu 23 van de slachtoffers begraven. De overigen hebben een laatste rustplaats gekregen in naburige dorpen. Het waren vooral jonge nannen maar ook een jongen van elf jaar oud. Om het veldje zijn borden aangebracht met leuzen als 'Strijd tot aan de overwinning' en 'Jullie gaven zin aan de vrijheid met jullie leven'.

Het drama van 22 oktober was geen incident. De bewoners van Bijbehara noemen tal van andere voorbeelden. Onder het drinken van een kopje hete kahwa, de typische Kashmiri thee met kaneelsmaak, vertelt de natuurkundeleraar Basir Ahmed Shah hoe hij op 15 oktober met zijn scooter onderweg was ter hoogte van de vissersgemeenschap. Plotseling hoorde hij dichtbij schoten en zag hij militairen naderen.

Snel maande hij de angstige vrouwen - de vissers waren bij de rivier - om met hem mee te komen, want hij vreesde dat ze anders zouden worden verkracht. Er hadden zich de afgelopen maanden al eerder verkrachtingen voorgedaan en in een islamitische maatschappij is dat voor vrouwen bijna het ergste ongeluk dat hen kan treffen.

De meesten volgden hem, maar even later werd de groep op een veld door het leger ingesloten. Allen werden geslagen en de kleren van de vrouwen werden kapot gescheurd, maar ze werden niet verkracht. Basir liep door een klap met een geweerkolf een forse hoofdwond op, die later moest worden gehecht. Ook in de visserswijk lopen nog mensen met hechtingen rond, onder wie een elfjarig jongetje.

Ettelijke burgers zijn de afgelopen maanden doodgeschoten. In augustus bijvoorbeeld werden vier meisjes op weg naar school doodgeschoten, allen met kogels in het hoofd. Het leger verklaarde na afloop dat de meisjes ongelukkigerwijs in kruisvuur waren beland tussen leger en militanten. Een verklaring waaraan de bevolking geen enkele waarde hechtte. Het zou al te toevallig zijn dat alle meisjes zo in het hoofd waren geraakt. “Wij haten de term kruisvuur”, zegt iemand in Bijbehara. “Die gebruiken de militairen altijd als ze weer iemand gedood hebben.”

Op 2 november werden de dorpjes Subhan Pura en Jabli Pura dichtbij Bijbehara 's nachts door het leger afgezet, nadat niet lang daarvoor een majoor was omgekomen bij de ontploffing van een landmijn een eindje verderop. De militairen sloegen er weer flink op los en veertig mensen moesten naderhand in ziekenhuizen worden behandeld. Schuw kijken de inwoners van Subhan Pura vanuit hun ramen toe, als een vreemde auto over het modderige weggetje hun dorp nadert. Een groot deel van de bevolking, vooral de jonge mannen, is al gevlucht naar elders. Sommigen verblijven ook op het land buiten de dorpen. Langs de weg zit een groepje van een man of tien, sommigen nog met verband om het hoofd wegens de klappen die ze te verduren hebben gehad. “We slapen in de buitenlucht, want in onze dorpen durven we 's nachts niet meer te verblijven”, vertelt een van hen.

“Ze proberen ons heel bewust te intimideren”, zegt een inwoner van Bijbehara. “We hebben al herhaaldelijk te horen gekregen dat ze ons wel eens een lesje zouden leren, wanneer we om onafhankelijkheid blijven vragen.” De bevolking is er ook van overtuigd dat het bloedbad van Bijbehara deel uitmaakte van een vooropgezet plan.

Nu Kashmir steeds verder in de greep van een geweldsspiraal raakt, is er geen greintje vertrouwen meer tussen de bevolking en de Indiase autoriteiten. De woede van beide zijden is te begrijpen. Hoe zouden immers ook de militairen nog warme gevoelens kunnen opbrengen voor de Kashmiri's, nadat ze steeds meer van hun makkers op landmijnen hebben zien stappen of in hinderlagen hebben zien vallen. Dit jaar alleen al zijn er zeker 500 militairen zwaar gewond of gedood.

Het is moeilijker voor het leger om acties tegen de militanten te ondernemen, die zeer beweeglijk zijn en het gebied meestal op hun duimpje kennen, dan andersom. Zo laten de militairen hun frustraties dikwijls de vrije loop tegen de burgerbevolking, die inderdaad de militanten in veel gevallen onderdak verleent en voedsel geeft.

De inwoners van Bijbehara zijn echter vastbeslotener dan ooit om met die deels passieve, deels actieve steun door te gaan. “We steunen de zaak van de militanten en we zijn tegen India. Tot onze laatste druppel bloed zullen we India bestrijden”, vat een jonge man de gevoelens van de dorpelingen samen.

    • Floris van Straaten