Operatie appelboor

Op het videofilmpje komen nu gipsbenen in beeld. Twee hoge en drie lage. Ze staan tegen de muur van ons huis.

Vijf opengeknipte, lege, witte benen. Vol met namen en tekeningen. De camera draait weer in de richting van de tuin. Daar zit ik. Er dwarrelt een eikeblad langs mijn oor. Ik heb de Snoopytrui aan met 'Hero Time' erop, die mijn neefje Robert nu draagt. En ik verdrink in een grijze rolstoel. “Wat is er vandaag allemaal gebeurd?”, vraagt mijn moeder achter de camera. Ze zet haar speciale videostem op. “Dat weet je toch. Jij was er zelf bij”, piep ik. In de kamer moeten we nu allemaal lachen. Ik was helemaal vergeten dat ik zes jaar geleden zo'n hoge stem had.

Acht was ik, toen de chirurg in het ziekenhuis vond dat ik maar geopereerd moest worden. Mijn voeten groeiden helemaal scheef. Ze stonden bijna gekanteld naast mijn benen. En elke dag schuurden mijn beugels rodere plekken op mijn enkels. “We maken je spieren en pezen wat langer. En dan halen we twee stukjes bot uit je kuitbeen. Met een soort appelboor. Daarmee zetten we je enkels vast”, zei dokter Mol. Appelboor... dat klonk naar oudejaarsavond als ik met mijn oma flappen en bollen bak. En rechte voeten... Ik wilde het wel.

Ik herinner mij nog meer. Dat het regende op de dag dat ik naar het ziekenhuis ging. Dat ik voor de operatie mocht kiezen tussen een kapje of prikje. En dat ik wakker werd met pijn in twee zware gipsbenen. Boven het hoge ziekenhuisbed hingen balonnen. Mijn moeder sliep bij me. Op een matras onder mij. Want mijn glazen box was maar klein.

Ik werd heel erg verwend. Met een containervrachtwagen en een helikopter van Lego. Spelletjes en Playmobiel-poppetjes met echte gipsbenen. Thuis mocht ik beneden in de huiskamer slapen. En na tien weken kwamen ze uit het lange gips: twee heel dunne behaarde vellerige stokjes. Daarop stonden grote blauwzwarte kruissteken waaraan nog bruin bloed zat. Martien, mijn fysiotherapeute, drukte mijn knieën tegen het papier van het ligbed. Want anders zouden die meteen van schrik gaan buigen. Zo kreeg ik vlak vóór mijn verjaardag en het schoolkamp nieuw, geel gips tot aan mijn knieën. En tot augustus. Toen oefende ik met opgeluchte benen in de Middellandse Zee. Bewegen in de golven en rollen door het zand.

Maar niet voor lang. Want op de derde dag viel ik van mijn stoel. De hele wereld duizelde en toen werd alles zwart. Ik brak mijn rechter onderbeen. En zo kwamen ze op het videofilmpje in de herfst van zes jaar geleden. Vijf lege gipsbenen in de tuin. Allemaal van mij.

De video is afgelopen. Robert en ik gaan fietsen. Onder de drie wielen van mijn rode mountainbike ritselen de bladeren. Mijn voeten staan recht onder mijn benen. Maar ze schieten wel steeds uit de pedaalklemmen. Maar ik fiets. En de hoogste mountain is hier maar een eenvoudig duintje.

In de verte, boven de bessenbosjes, fietst een oranje stokvlaggetje. Ik neem de bocht. Daar staat mijn moeder met de camera. Het rode lampje brandt. Maar gelukkig hoef ik nu niet meer te vertellen wat er allemaal gebeurt.

    • Michiel Nales