Op zoek naar kinderjaren die men de wereld kan presenteren; Gesprek met de Amerikaanse schrijver Louis Begley

“Ik zocht naar een artistieke waarheid die de historische waarheid geen geweld aandeed,” zegt de Amerikaanse schrijver Louis Begley. Zijn boek 'Wartime Lies' gaat over de ervaringen van een joods jongetje in Polen tijdens de Tweede Wereldoorlog. De hoofdpersoon heeft veel overeenkomsten met de jonge Louis Begley, die toen nog Ludwik Begleiter heette.

Louis Begley: Wartime lies. Ballantine Books, 181 blz. Prijs ƒ 12,90.Vert.: Oorlog en leugen. Vert. Babet Mossel, 181 blz. Prijs ƒ 38,50. - : The Man Who Was Late. Uitg. Alfred A. Knopf, 243 blz. Prijs ƒ 47,65

Vertaling verschijnt komend voorjaar bij Balans.

“Sorry dat ik u heb laten wachten”, zegt Louis Begley. Precies op het afgesproken tijdstip komt de schrijver van de begin dit jaar verschenen roman The Man Who Was Late zijn gast ophalen in de lobby van het chique Newyorkse advocatenkantoor Debevoise & Plimpton. Als hij op zijn horloge kijkt en zijn vergissing bemerkt mompelt hij iets onverstaanbaars en gaat voor door de gangen.

Begleys kamer op de vijfentwintigste verdieping van een wolkenkrabber op Manhattan heeft een fabelachtig uitzicht op de stedelijke canyon.

Begley (59) is jurist en begeleidt overal ter wereld transacties tussen bedrijven en overheden. De literatuur is voor zijn vrije tijd maar dat heeft in de afgelopen jaren al twee boeken opgeleverd. Wartime Lies, Begleys romandebuut dat nu in Nederlandse vertaling is verschenen, hoorde volgens de New York Times tot de beste tien boeken van 1991.

Wartime Lies weerspiegelt Begleys eigen ervaringen tijdens de Tweede Wereldoorlog, hoewel hij nadrukkelijk spreekt van een roman. Louis Begley, die toen nog Ludwik Begleiter heette, woonde voor de oorlog als enig kind van joodse ouders in het Poolse Stryj. Toen de oorlog uitbrak viel het gezin uiteen en sloegen de familieleden noodgedwongen op de vlucht. De jonge Ludwik zwierf langs vele Poolse kosthuizen.

In Wartime Lies is het de Pools-joodse jongen Maciek die met zijn tante Tanya en zijn grootvader door het land trekt. Duitsers, premiejagers en Poolse antisemieten liggen op de loer. Herhaaldelijk ontsnappen Maciek en Tanya op het nippertje aan verraad en een wisse dood. Het boek is bekroond met de Ernest Hemingway Foundation Award van de PEN, met een literaire prijs van de Irish Times/Aer Lingus en met de Prix Médicis.

“Wartime Lies is een kinderverhaal”, zegt Begley schertsend. “Het kind is goed van zichzelf zoals alle kinderen. Hij heeft een dappere tante en een heel aardige grootvader, net als in Heidi. Hij wordt dus achtervolgd door boze monsters. Eigenlijk is het een heel klassiek verhaal, een sprookje zelfs. Van het grimmiger soort.” Begley glimlacht. “De woordspeling was per ongeluk.”

Begley heeft tientallen jaren gezwegen over zijn ervaringen. Hoewel hij wel antwoord gaf op vragen over zijn achtergrond, waren er na publikatie van Wartime lies zelfs naaste collega's voor wie het boek als een schok kwam. Ze hadden geen idee wat hun rustige, vriendelijke collega allemaal had meegemaakt. Begley schreef Wartime lies in drie maanden, min of meer in een opwelling. Het verhaal wordt zonder veel opsmuk verteld. De verteller hoeft de gevaren waaraan de opgejaagde joden blootstaan niet aan te dikken. Door de historische achtergrond, de Duitse inval in Rusland, de opstand in het getto van Warschau en de strijd van de ondergrondse, is Macieks oorlog akelig realistisch. Het verhaal eindigt met de terugkeer van de vader uit Rusland en een 'commentaar' van de schrijver.

“En waar is Maciek nu? Hij werd een beklagenswaardig iemand en is langzaam doodgegaan. Een man die een van de namen draagt die Maciek gebruikte, heeft hem vervangen. Zit er veel van Maciek in die man? Nee: Maciek was een kind, en onze man heeft geen kinderjaren die hij kan verdragen zich te herinneren; hij heeft ze moeten bedenken. En het oude lied is een leugen. Hoe lang of hoe vrolijk de muziek zal klinken, Maciek zal nooit meer opstaan om te gaan dansen.”

Begley: “Het verwijst naar het hele boek maar tegelijkertijd ook weer niet. De passage heeft twee betekenissen. Het bedenksel kan het hele boek zijn maar ook een bedenksel dat onze zogenaamde overleden Maciek heeft moeten verzinnen toen hij volwassen werd. Kinderjaren die hij de wereld kan presenteren want hij kan zijn kinderjaren die dood zijn niet meer gebruiken. Dat zou in een ander boek beschreven moeten worden.”

Onbetrouwbaar

Een verschil met zijn eigen ervaringen is dat Begley in de oorlog niet samen met zijn tante was maar met zijn moeder. Zijn vader was in die periode in Rusland. De reden dat hij zijn oorlogservaringen in een roman verwerkte is eenvoudig. “De herinneringen van een kind zijn beperkt en onbetrouwbaar. Om memoires te kunnen schrijven had ik ontzaglijk veel onderzoek moeten doen en ik ben geen historicus. Daarnaast denk ik dat het feitelijke verhaal van mijn leven niet zo'n goed verhaal is. Ik wilde een verhaal, zoals een verhaal verteld moet worden.”

Een derde reden is dat Begley zijn privacy wilde beschermen. “Ik vind het moeilijk om over mijzelf te praten. Ik heb de tussenkomst van een literaire vorm nodig gehad om stof die persoonlijk is te gebruiken. De literaire vorm maakt het mogelijk om dingen erbij te verzinnen, te idealiseren of te veranderen. Ik zocht naar een artistieke waarheid, die de historische waarheid geen geweld aandeed. De waarheid die ik zocht is een artistieke, emotionele en psychologische waarheid die uitdrukt wat mij overkomen is.”

In The Man Who Was Late kiest Begley er opnieuw voor eigen ervaringen te verwerken maar de auteur is niet de hoofdpersoon van de roman. Ben is een internationaal bankier die Parijs, Tokio en Rio bezoekt om financiële transacties af te sluiten. Hij heeft geleden in de oorlog maar is na emigratie naar de Verenigde Staten en een studie aan Harvard opgeklommen tot iemand die geslaagd is in het leven. Ook dat hebben Begley en zijn personage gemeen maar daar houdt de vergelijking op want erg gelukkig is het personage Ben niet.

Ben is een punctueel zakenman maar “te laat in de zaken waar het in het bestaan om draait, om de een of andere reden miste hij altijd de boot”, schrijft Begley. “Dat hij te laat is, is ook een gevolg van eindeloos aarzelen en niet tot keuzes kunnen komen”, licht Begley toe. “Wie een besluit lang genoeg uitstelt, zal vaak merken dat het besluit er niet meer toe doet.”

Voor Ben is tijd iets essentieels in zijn leven, net als voor Begley zelf. “Tijd en het verloop ervan zijn altijd een obsessie voor mij geweest. Dat komt doordat ik altijd geobsedeerd ben geweest door de dood. De snelheid waarmee de tijd voorbij glijdt maakt alle menselijke inspanning vruchteloos. Een minieme misrekening kan tot een ongelukkige afloop leiden. Ik doel dan op een verkeerde timing. Of het nu gaat om een apartement waar je verklikt wordt, of dat je iemand te laat ontmoet, of dat je te laat in de gaten krijgt wat een bepaalde relatie of een bepaalde persoon betekent - dat heeft er allemaal mee te maken.”

Sigaartjes

Begley praat zachtjes, neemt de tijd om vragen te beantwoorden en formuleert zorgvuldig. Een licht accent is hoorbaar. Tijdens het gesprek rookt hij sigaartjes van zijn lievelingsmerk Schimmelpenninck. Af en toe dwalen zijn felblauwe ogen naar buiten. Begley kwam na de oorlog met zijn ouders naar de Verenigde Staten, na een kortstondig verblijf in Parijs. Zijn vader hernieuwde zijn artsexamen en het gezin vestigde zich in Brooklyn. “Mijn vader besloot om onze naam, Begleiter, te veranderen. Het was een beetje een naïef besluit. Hij was huisarts en hij wilde dat de patiënten zijn naam konden spellen en onthouden. Een vreemde reden want Begleiter is niet veel moeilijker dan Begley. Trouwens, alle namen met uitzondering van Smith moeten in dit land worden gespeld. Daarnaast had hij ook een afkeer van Begleiter omdat dat zo Duits klonk. En er was natuurlijk ook het verlangen om met een schone lei te beginnen. Ik denk dat de hele situatie wat verwarrend was.”

Met de komst naar de VS leek het hoofdstuk Polen definitief verleden tijd. Begley is nooit meer in het land teruggeweest. Hij doorliep de middelbare school in New York en kreeg een beurs voor Harvard, waar hij Engelse literatuur studeerde. In 1954 behaalde hij zijn doctoraal summa cum laude, een beloning die dat jaar voor slechts twee studenten was weggelegd. De andere student heette John Updike.

Begley wilde verder in de literatuur maar kon geen beurs krijgen. Hij besloot zich aan te melden voor militaire dienst en werd gelegerd in Duitsland. In die tijd maakte hij geen uitjes naar Polen maar naar Parijs. Hij leerde Duits van iemand die een arm had verloren aan het Oostfront. “Ik heb hem nooit verteld dat ik ook een tijd aan het Oostfront heb doorgebracht”, aldus Begley. Hij wilde zich in dat stadium niet met het verleden bezighouden. Uit zijn mond of pen komt ook nu nauwelijks een oordeel over Duitsers. Eén opmerkelijke passage in Wartime lies licht Begley alleen uiterst spaarzaam toe. Hij schreef: “Duitsers kunnen geen medelijden verdragen, ze geven de voorkeur aan pijn. Als je barmhartigheid vraagt, komt de duivel in ze naar boven.”

Begley: “Het is een hypothese die ik in de mond van Tanya heb gelegd. Misschien is het waar.” Het is een opvallende reflectie in het verhaal vol gruwelijke gebeurtenissen. Begley beaamt dat. “Misschien is het waar”, herhaalt hij en doet er het zwijgen toe.

Romans over de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog leest Begley niet. “Ik kan dat soort boeken eenvoudigweg niet aan. Ik doe het alleen als het moet of als het om een literaire beroemdheid gaat.” In The Man Who Was Late vragen twee aardige dames Ben naar zijn leven. “Zijn levensverhaal vertellen op feestjes was niet Ben's favoriete bezigheid. Hij besloot dat de bekorte, ironische versie voldoende was. Zoals altijd was het of hij een ander hoorde spreken. Ze zeiden dat hij een boek moest schrijven; had hij The Painted Bird gelezen?”

The Painted Bird van Jerzy Kozinski gaat over een kleine jongen die tijdens de oorlog door Polen zwerft. “Het is een uitstekend boek”, zegt Begley, “en Ben is in een situatie waarin hij die twee dames wil imponeren maar hij wil de conversatie ook lichtvoetig houden.” Begleys eigen verhaal vertoont veel overeenkomsten met de roman van Kozinski. Het noemen van het boek is volgens Begley min of meer toevallig maar het is ook een van de weinige boeken over oorlogsbelevenissen die Begley heeft gelezen.

Overleven

De ervaringen van Begley die als kleine jongen onverwachts de verschrikkingen van de oorlog en de jodenvervolging meemaakt, geven hem toch niet het idee dat hij een 'normale' jeugd heeft gemist. “Ik weet niet wat ik heb gemist”, zegt de schrijver. “Dat kun je ook niet weten. Het is als een graftombe die nooit open zal gaan, waarvan je de inhoud nooit zal kennen.”

Begley komt herhaaldelijk terug op het belang van timing. Niet weten wat je hebt gemist kan ook betekenen: ontsnapt zijn aan grote gevaren. Voor Maciek en zijn tante is de angst voor ontmaskering zo groot dat ze een paar keer het zekere voor het onzekere nemen en vluchten uit een kosthuis. Het moment van ontmaskering moeten ze altijd voorblijven door een besluit te nemen. Nooit kunnen ze zich permitteren te wachten om na te gaan of het besluit juist was. Alleen overleven geeft achteraf zekerheid.

Begley: “Alle momenten zijn deel van een continuüm. De uren die voorbijgaan zullen nooit meer worden geleefd. De materie waaruit ons leven bestaat raakt langzaam op. Daar ben ik me altijd bewust van geweest en daar heb ik me vaak zorgen over gemaakt.” Het opraken van de tijd die ons gegeven is, is een besef dat iemand kan doen terugverlangen naar vroeger maar dat doet Begley niet.

“Verloren tijd is tijd die voorbij is maar ook tijd die je niet meer hebt. Ik heb geen verlangen naar de tijd die voorbij is. Ik ben me wel sterk van die tijd bewust en bij het schrijven ben ik er vol van. Ik wil er graag iets van vasthouden. Als men erin slaagt om iets mooi op te schrijven dan lukt het wel om te bereiken wat Proust wilde bereiken - of je nu een groot schema hebt waarin de dingen hun plaats hebben of niet - want je houdt er iets mee vast dat werkelijk gebeurd of gedacht is, iets gebaseerd op ervaringen of herinneringen die echt zijn. Elke goede schrijver, elke geslaagde kunstenaar lukt het om iets vast te houden.”

Hoewel hij zich Amerikaan voelt is Begley natuurlijk altijd voor een deel Europeaan en Pool. Dat is volgens hem een groot voordeel. “Ik heb een instinctieve sympathie voor wat Europees is: cultuur, politiek en gewoontes. Ik spreek meer talen dan de meeste Amerikanen. En ik kan natuurlijk Pools spreken en lezen en volg de literatuur ook. Voor mij betekent het ook dat ik die verschrikkelijke jeugd had. Dat is een feit. Had ik een andere jeugd gehad willen hebben, bijvoorbeeld hier in New York City? Nou en of. Maar dan was ik iemand anders geweest. Ik betreur niet dat ik ben wie ik ben, noch dat ik het leven in toto heb geleid. Niettemin was het leven dat ik had in en vlak na de oorlog niet bepaald vrolijk. Het vergt nogal wat distantie tot dat leven van pijn en gevaar om te kunnen zeggen: ik ben blij dat ik dit leven heb geleid.”

Begley voelt zich zeer verbonden met de VS. Hij bracht er zijn derde jeugd door en heeft er sindsdien altijd gewoond. “Ik geloof in dit land. Ik geloof in de goedheid ervan en in de toekomst. Dit land is ook heel goed voor mij geweest. Ik voel me zeer Amerikaans. Mijn drie kinderen zijn hier geboren. Door een slecht oor heb ik denk ik nog altijd een licht accent. Ik voel me Amerikaan, zoals veel mensen die een soortgelijke achtergrond hebben, maar wij dragen ook nog een Europese erfenis mee.”

    • Lucas Ligtenberg