Ons Nederlands erfgoed

“Nederland is deel van ons erfgoed, van onze herinneringen, in goede en slechte zin”, zei een Indonesiër maandag voor de televisie in Een waarheid met vele gezichten, een documentaire van de NCRV, waarin Indonesiërs vertelden wat ze nu van de Nederlanders vonden.

Er is geen reden te twijfelen aan 's mans eerlijkheid. Nederland heeft per slot van rekening meer dan driehonderd jaar over Indonesië geregeerd. Toch kunnen er twee kanttekeningen naast zijn opmerking gemaakt worden.

In de eerste plaats: hij zei dit in het Engels. De Nederlandse taal behoort dus nauwelijks tot het Indonesische erfgoed. Dat is anders in de vroegere kolonies van Engeland, Frankrijk en Portugal: daar spreekt althans de intelligentsia nog altijd de taal van de voormalige heerser, ook vaak onderling.

Tweede kanttekening: in dezelfde documentaire antwoordden enkele jonge Indonesiërs op de vraag wat Nederland voor hen betekende: “Een land in Europa.” Andere, meer intellectuele Indonesiërs klaagden over het gebrekkige geschiedenisonderwijs (bekende klacht!) dat maakte dat jonge Indonesiërs weinig van het recente verleden van hun land wisten. Dit wat hun collectieve herinnering betreft.

Drie eeuwen Nederlandse overheersing hebben dus niet veel meer achtergelaten dan wat Krassen op de rots, zoals Hella Haasses boek uit het begin van de jaren '70 heet. Misschien zal blijken dat het Nederlands belangrijkste erfenis is dat het Indonesië, van Sabang tot Merauke, gemaakt heeft.

De eenheid van Indonesië is immers door de Nederlandse kolonisator, vooral in het laatst van de vorige eeuw, gesmeed. Daarvoor was er niet één staat geweest, maar een conglomeraat van talloze koninkrijken, sultanaten, vorstendommen zonder veel interne samenhang, die trouwens in een immense archipel niet te verwachten was.

Die door de Nederlanders geschapen eenheid was Indonesiës belangrijkste argument in zijn strijd tegen Nederland om westelijk Nieuw-Guinea: eens had dit tot Nederlands-Indië behoord, welks rechtsopvolger het onafhankelijke Indonesië was.

Die door de Nederlanders geschapen eenheid was Indonesiës belangrijkste argument in zijn strijd tegen Nederland om westelijk Nieuw-Guinea: eens had dit tot Nederlands-Indië behoord, welks rechtsopvolger het onafhankelijke Indonesië was.

En onlangs heeft het deze gedachte tot haar paradoxale, maar logische sluitstuk gevoerd: de onthulling van een monument, in Atjeh, voor generaal Van Heutsz. Ons Nederlanders vervult de herinnering aan deze krijgsman, die zich waarschijnlijk in een latere tijd voor oorlogsmisdaden zou hebben moeten verantwoorden, eerder met schuldgevoelens; maar het is waar: hij heeft, hoe dan ook, de eenheid van Nederlands-Indië, dus van Indonesië, voltooid.

Voor de Indonesiërs is blijkbaar dit feit belangrijker dan de herinnering aan de wrede onderdrukker. Wraakgevoelens koesteren de Indonesiërs trouwens überhaupt weinig, tot verbazing vaak van Nederlanders, tot wier erfgoed - ik sluit mijzelf niet uit - het christelijk, zo niet calvinistisch, schuldgevoel behoort.

De Indonesiërs zullen dan ook waarschijnlijk met zekere bevreemding kennis hebben genomen van de wens van Pax Christi dat minister-president Lubbers, tijdens zijn aanstaand bezoek aan hun land, een betuiging van collectieve spijt zal afleggen voor wat Nederland Indonesië in het verleden heeft aangedaan.

Wanneer wij denken aan de wrok die vele Nederlanders nog altijd jegens Duitsland menen te moeten handhaven (al dan niet kunstmatig), dan moeten we wel tot de conclusie komen dat de Indonesiër de wijzere is; ja, om met C. van Vollenhoven te spreken, “onze meerdere in innerlijke beschaving en in bedwang van zijn persoon”.

Ik ontleen dit woord, dat Van Vollenhoven in 1922 schreef in een hoofdartikel in de Nieuwe Rotterdamsche Courant, aan het onlangs verschenen boek van prof. C. Fasseur: De Indologen. Ambtenaren voor de Oost 1825-1950 (Uitg. Bert Bakker), en ik werd opnieuw aan dit boek herinnerd toen ik hoorde hoe in die documentaire van de NCRV een Indonesisch oud-ambassadeur de Nederlandse kolonisator verweet, in heel heuse termen overigens, dat hij te weinig had gezorgd voor een intellectueel en administratief kader van Indonesiërs.

Wat schrijft Fausseur hierover? “Het stelselmatig weren van Indonesiërs uit het vooroorlogse BB (Binnenlands Bestuur) had het aan Indonesië 'vreemde' karakter van dit bestuurskorps door de jaren heen alleen maar scherper tot uitdrukking gebracht.” Zelfs na Indonesiës onafhankelijkheid wilde Nederland, “met hoe goede bedoelingen ook”, nog “bemoeizuchtige Nederlandse adviseurs” aan Indonesië opdringen - om lacunes op te vullen die het zelf geschapen had.

Want wat was het probleem? Nederland geloofde in de “mythe van de voortreffelijkheid van het Nederlandse koloniale bestuur, superieur aan dat van andere koloniale grootmachten”. En daarin “paste het beeld van de voortreffelijk opgeleide ambtenaren, die hun weerga in de wereld niet kenden”.

Het paradoxale, en ook wel enigszins tragische, was dat dit grotendeels hetgevolg was van die goede bedoelingen: “Tegen de stroom van de tijd en de ethische politiek in werd het Nederlandse binnenlands bestuur in Indonesië (...) zelfs 'Europeser'. (...) Aan toelating van Indonesiërs tot dit blanke bastion (...) werd na 1906 in het geheel niet meer gedacht.

“Deze politiek van stelselmatige uitsluiting van gekwalificeerde Indonesiërs van het Nederlandse BB heeft ongetwijfeld de tegenstellingen verscherpt en vele coöperatief ingestelde Indonesiërs blijvend van het Nederlandse bestuur vervreemd. (...) De Engelsen gaven er dan blijk van de tekenen van de tijd beter te verstaan!”

Het is niet het enige voorbeeld van Nederlands perfectionisme dat het tegendeel bewerkt van wat het heeft beoogd.

    • J.L. Heldring