Nobel Industries heeft weinig van Alfred Nobel

De naam van het Zweedse chemiebedrijf Nobel kent iedereen. Maar wat gaat er achter de naam van de beroemde uitvinder schuil? Nobel Industries Sweden AB, waarop Akzo maandag een bod uitbracht, is de optelsom van een aantal geniale strategische beslissingen en enkele blunders.

Europa's nieuwe chemiecombinatie is Akzo Nobel gedoopt. Dat kon ook moeilijk anders: welk chemieconcern wil zich niet tooien met de naam van Alfred - dynamiet - Nobel, met afstand 's werelds beroemdste chemicus? Weinig concerns bezitten een naam die zoveel waard moet zijn als juist deze; een naam die jaarlijks de voorpagina's haalt als de prijzen voor literatuur, wetenschappen en vrede worden toegekend. In de entree van Nobel's concerncentrale in Stockholm staat dan ook de onvermijdelijke buste met het strenge, bebaarde gelaat. Toch loopt er nog maar een ragfijn lijntje van het negentiende eeuwse genie naar het hedendaagse chemieconcern.

De geschiedenis van de bedrijfsnaam Nobel begon, hoe kan het ook anders, met een explosie. Op 3 september 1864 vloog een deel van de Stockholmse boerderij Heleneborg in de lucht. Vader Immanuel en zoon Alfred Nobel produceerden op Heleneborg nitroglycerine onder zeer primitieve omstandigheden en zonder ook maar enig benul te hebben van de gevaren verbonden aan deze hoogst instabiele vloeistof, die spontaan tot ontploffing kan komen. Na de Heleneborg-explosie, die vijf mensen het leven kostte, moest Alfred ver buiten de stad opnieuw beginnen. Samen met een handvol financiers richtte hij daarom Svenska Nitroglycerin AB op. Die onderneming, beter bekend als Nitro Nobel, vormde de basis voor Nobel's wereldwijde industriële imperium. Later werd ook de produktie van dynamiet, nitroglycerine gebonden met een vaste stof, in Nitro Nobel ondergebracht.Na Nobel's dood in 1896 werden, conform de bepalingen in Alfred's testament, alle ondernemingen verkocht aan derden om de Nobelprijs te financieren. In de jaren zeventig kwam Nitro in handen van het chemiebedrijf KemaNord, dat onmiddellijk werd omgedoopt in KemaNobel. Zes jaar later ging KemaNobel een fusie aan met wapenfabrikant Bofors, ook onderdeel van Alfred's oorspronkelijke imperium, en zo ontstond in 1984 het wapen- en chemieconcern Nobel Industries.

Sinds het midden van de jaren tachtig heeft Nobel een ware metamorfose ondergaan. Het 'Alfred Nobel-gehalte' werd daarbij tot een minimum gereduceerd. De bakermat van Alfred's imperium, Nitro Nobel, werd in 1986 verkocht aan Norsk Hydro. De wapenproduktie van Bofors werd in 1991 verzelfstandigd en opereert nu onder de naam Celsius. “Er zijn wel meer bedrijven die zich tooien met de erfenis van Alfred”, zegt een Nobel-medewerker. “Toch zien wij ons nog steeds als de ware erfgenamen.”

In het huidige Nobel Industries en straks in Akzo Nobel zitten nog twee ondernemingen die een, zij het vage, band hebben met Alfred Nobel. In Eka Nobel, opgericht in 1895, was Alfred grootaandeelhouder. En Nobel Chemicals exploiteert nog steeds een fabriek in Karlskoga die voortbouwt op experimenten die Nobel's persoonlijke assistent er vanaf 1895 uitvoerde. Nobel zelf, die in Karlskoga een woning bezat, sleet zijn laatste levensjaren hoofdzakelijk in San Remo.

Zijn de banden tussen Nobel Industries en zijn beroemde naamgever in de loop der jaren vervaagd, het moderne Nobel draagt wel nog duidelijk de sporen van de financier Erik Penser, een hedendaagse Zweedse beroemdheid. Penser, in de jaren tachtig mede-eigenaar en bestuursvoorzitter van Nobel, wilde van Nobel Industries in recordtempo een industriële reus maken. Razendsnel kocht hij concurrenten op en het concern pompte onder zijn leiding geld in nieuwe produktiefaciliteiten. Tussen 1987 en 1990 werd de omzet verdubbeld van 13 miljard kroon tot ruim 26 miljard kroon. Alleen al in 1990 investeerde de onderneming 10 miljard kroon.

Penser had niet alleen een voorkeur voor snelle groei, hij was ook behept met een gevaarlijke liefde voor onroerend goed. Een passie die veel beleggers aan het einde van de jaren tachtig met hem deelden en waarmee destijds een fortuin verdiend kon worden. Beleggingen in onroerend goed promoveerden Penser tot de rijkste zakenman van Zweden.

Pag.14: Chemietak van Nobel groeide ondanks vele crises

In 1988 nam Nobel Industries twee grote investeringsmaatschappijen over, Asken en Carnegie. Voor de bedrijven werd betaald met nieuwe aandelen Nobel. Het van oorsprong industriële conglomeraat kreeg zo een aanzienlijke financiële tak, met belangen in onroerend goed en effecten. Asken bezat ook een financieringsmaatschappij, Gamlestaden, die Penser in 1989 naar de beurs bracht. Nobel behield een belang in Gamlestaden van 49 procent.

Gamlestaden groeide als kool. Het bedrijf trok kapitaal aan op de Zweedse geldmarkt om dat vervolgens te beleggen in aandelen en onroerend goed. In 1987 had de financieringsmaatschappij een balanstotaal van 6 miljard kroon, in 1989 was dat meer dan verdubbeld tot 13,6 miljard. In 1990 raakte Gamlestaden in financiële problemen om een jaar later volledig onderuit te gaan toen de beleggingen in vastgoed in waarde kelderden. Toen kwam aan het licht dat de industriële tak als onderpand had gefungeerd voor de financiering van het onroerend goed avontuur.

Alleen door een reddingsoperatie van een consortium Zweedse banken en de Zweedse overheid kon worden voorkomen dat Gamlestaden het industriële concern in zijn val meesleurde. De vermogensposite van Nobel Industries, al verzwakt door het acquisitieprogramma, holde achteruit. In 1991 werd een reservering genomen van 6,8 miljard kroon. Acht topmanagers, waaronder Penser, moesten het veld ruimen. De industriële activiteiten kwamen uiteindelijk voor ruim zeventig procent in handen van staatsholding Securum, een soort Treuhand die vijftien jaar de tijd kreeg om Nobel Industries te gelde te maken.

Ove Mattsson, die de leiding had over de grootste chemie-divisie werd benoemd tot president en probeerde zo snel mogelijk schoon schip te maken. De defensie-belangen gingen de deur uit en de divisie waar chemische produkten voor de consument (huidverzorgingsprodukten, parfums) werden gemaakt werd overgedragen aan het Duitse Henkel. Voorzichtig werd de opgaande lijn weer ingezet.

Nauwelijks bekomen van de Gamlestaden-crisis, verrastte Nobel Zweden in 1992 opnieuw met een financieel-debâcle. Ditmaal waren het niet beleggingen in onroerend goed, maar valuta die het concern parten speelden. Het financieel zwaar gehavende bedrijf verloor 750 miljoen kroon bij valutatransacties, waardoor de jaarwinst van 460 miljoen meer dan gehalveerd werd. Het bedrijf had zich ingedekt tegen mogelijke claims van de Zweedse fiscus betreffende buitenlandse bezittingen. In verband met de Gamlestaden-crisis beschikte Nobel echter over zoveel fiscaal compensabele verliezen dat het geen belasting hoefde te betalen. De valutatransacties waren niet alleen verliesgevend, ze waren ook nog eens volstrekt overbodig. Het jaarverslag over 1992 meldde dan ook dat de positie van controller in het executive management 'vacant' was. “Na al die rampen was er geen Zweed meer die verwachtte nog ooit iets positiefs over Nobel Industries te vernemen”, zegt Rickhart Linderoth, verantwoordelijk voor public relations. “Het eerst volgende Nobel-bericht kon niet anders dan het overlijdensbericht zijn”.

Dank zij de beoogde overname door Akzo heeft Nobel evenwel een nieuw contract met het leven. Penser heeft namelijk niet alleen een financiële chaos gecreeërd. In de dagen dat de onroerend goedmarkt nog een paradijs met hoge rendementen was, groeide de industriële tak van een veelal op Zweden of Scandinavië geconcentreerde bedrijf uit tot een niet onaanzienlijke 'speler' op de Europese chemiemarkt. Toen zich in Stockholm vervolgens crisis op crisis stapelde, hielden de chemie-divisies in Stenungsund, Bohus, Göteborg en Karlskoga het hoofd bij de les.

Zo ook in Malmö, waar Nobel Coatings (industriële verf) en Nobel Paints (decoratieve verf voor de consumentenmarkt) een fabrieksterrein delen. De positieve kant van Penser's acquisitie-drang is het beste af te lezen aan de divisie voor consumenten-verf. In 1982 was Nobel in deze sector alleen actief in Noorwegen en Zweden. In 1990, na acht overnemingen, verkoopt en produceert de divisie verf in tien Europese landen.

Paints en Coatings zullen in de toekomst deel uitmaken van de grootste verf-fabrikant ter wereld. Gezamenlijk produceren Nobel en Akzo jaarlijks ruim 800 miljoen liter verf, net iets meer dan de Britse concurrent ICI. “Om aan die 800 te komen moet je wel de verf meetellen die bij mij in de garage staat”, relativeert Rikard Nilsson, technisch-directeur in Malmö, de berekening. Hoe dan ook, zonder Penser was het verf-record van Akzo Nobel er niet geweest.

In Malmö is ook een deel van de investeringen in modernisering van de produktiefaciliteiten terecht gekomen. In 1990 bouwde Nilsson er wat hij omschrijft als “de modernste verffabriek ter wereld - althans in 1990.” De fabriek illustreert waarom chemiebedrijven gebaat zijn bij schaalgrootte. Steeds stringentere milieu-eisen en striktere regels voor arbeidsomstandigheden dwingen tot grote investeringen.

De verffabriek in Malmö is vergaand geautomatiseerd. Niemand sleept er meer met zware zakken grondstoffen of met volle verfblikken. In Malmö tilt men zelfs geen lege verfblikken meer. “Vooral de lege plastic-emmers waren een probleem. Gestapeld zuigen ze zich altijd aan elkaar vast. Als je daar de hele dag aan trekt heb je vroeg of laat rugklachten”. Ook de geluidsoverlast werd in de nieuwe fabriek aangepakt. De machines en pijpleidingen worden niet meer zoals vroeger met water gereinigd; nu raast een grote stalen kogel door het buizennet. Nilsson rekent: “Geen kosten voor het water en de reiniging daarvan, een deel van de grondstoffen die vroeger verloren gingen, winnen we nu terug”.

Grondstoffen zijn een sleutelwoord in de chemie. Volgens Nilsson bestaat de helft van de omzet in de chemie uit de aanschaf van basisprodukten. Mede daarom is het verf-record van Akzo Nobel voor Nilsson belangrijk. “Als marktleider wil iedereen aan je leveren, je bent een belangrijke referent. Omdat je groot bent kun je bovendien een zo gunstige mogelijke prijs bedingen”.

Ook Göran Jönsson, president van Nobel Coatings, droomt van de schaalvoordelen die Akzo Nobel hem zullen brengen. “In de fabriek zijn grotere hoeveelheden een enorm voordeel. Dat is evident. In een concern met meerdere fabrieken kun je bovendien minder produkten per fabriek maken, waardoor je weer voordeel hebt. Je kunt ook research combineren en de logistiek optimaliseren: het transport terugdringen en gezamenlijke magazijnen exploiteren.”

Niet alleen in de produktie, ook in de markt is grootte belangrijk. De klanten van Jönsson, industriële ondernemingen, worden steeds internationaler. De leverancier moet dan een internationaal, in sommige gevallen zelfs een wereldwijd, afzet-netwerk hebben. “Een van onze klanten is Ikea. Voor sommige produkten gebruikt Ikea een laklaag waarin geen formaldehyde is verwerkt. De Ikea-meubels worden wereldwijd in honderd verschillende locaties door onderaannemers gemaakt. Alle onderaannemers moeten dezelfde laklaag afleveren: die hebben dus allemaal Nobel-verf nodig. Hetzelfde zie je in de auto-industrie, bij machinebouwer Asea Brown Boveri, bij Electrolux, de producent van huishoudelijke apparaten.”

Voor de verkopers van de decoratieve verven is marktmacht van het grootste belang omdat de marktleider de prijzen zet. “Nummer één bepaalt wat het wordt, nummer twee gaat daar onmiddellijk tien procent onder zitten om het gebrek aan naamsbekendheid en afzetkanalen te compenseren”, legt Nilsson uit.

Als de negatieve gevolgen van Akzo Nobel ter sprake komen, grijpen Jönsson en Nilsson aanvankelijk eendrachtig naar dezelfde ontwijkende antwoorden. Pas na lang aandringen erkennen de Nobel-managers dat de versmelting van twee concerns slachtoffers zal maken. Jönsson, voorzichtig: “Het is denkbaar dat we in het Verenigd Koninkrijk, Italië, België en Frankrijk produktiefaciliteiten moeten integreren.”

Britse analisten van de chemiemarkt kwalificeerden het huwelijk tussen Akzo en Nobel deze week als een perfecte industriële combinatie. De markten die de concerns nu bedienen, overlappen elkaar nauwelijks. Akzo's zwaartepunt bij verven ligt bijvoorbeeld in de Verenigde Staten, Nobel is een hoofdzakelijk Europese onderneming. Toch lopen de verkopers in sommige markten elkaar straks voor de voeten. De verf-verkopers van Akzo en Nobel in Groot-Brittannië en België zitten bij voorbeeld dicht op elkaars lippen. Straks maken ze deel uit van hetzelfde concern. Hoe heftig zullen ze elkaar dan nog bestrijden? Jönsson: “Dat is een wel erg lastige vraag.”

    • Michel Kerres