Nieuws wordt niet getolereerd; Debuutroman van H.M. van den Brink

H.M. van den Brink: De vooruitgang. Uitg. Meulenhoff. 137 blz. Prijs: ƒ 27,50.

Ik zou niet willen beweren dat De vooruitgang, het literaire debuut van H.M. van den Brink, alleen door een journalist geschreven zou kunnen zijn. Ook zou ik niet willen beweren dat het een bij uitstek journalistieke indruk maakt, want het literaire dringt zich hier bepaald op: de woorden, zinnen en alinea's wedijveren met elkaar om de schoonheidsprijs. Maar de roman heeft iets ongrijpbaars en boven- of onpersoonlijks, dat eerder doet denken aan een breed opgezette reportage dan aan een psychologisch drama of een meeslepende ideeëngeschiedenis. Dat zit 'm in de objectieve toon, het meervoudige perspectief en de vele, bijna ouderwets grondige observaties. Een bezwaar is dat overigens niet, voor wie zich niet per se in een verhaal hoeft te verliezen.

Dat de roman zich afspeelt in een Spaanse provincieplaats en niet in pakweg Noord-Holland of Overijssel, maakt geloof ik geen wezenlijk verschil, al zijn het bergachtige landschap, het stijlvolle exposé over de rumoerigheid van de gemiddelde Spanjaard, namen als Gonzalo Gonzalo en Alicia Diaz en het stieregevecht dat af en toe ter sprake komt, stemmige elementen die bijdragen aan een aangenaam zuidelijke atmosfeer. De tegenstanders van het stieregevecht hoeven zich overigens niet schrap te zetten, want stieren komen in de hele roman niet voor. Wel koeien, en een enkel beklagenswaardig kalf, dat ten gevolge van onduidelijke schermutselingen het loodje moet leggen.

De hoofdrol wordt vervuld door een zorgvuldig anoniem gehouden verslaggever. Hij is naar de provincieplaats C. gereisd om voor het dagblad De Zon een onopgehelderde, drievoudige moordgeschiedenis van een achtergrond te voorzien. Van meet af aan is echter duidelijk dat hij niet op zijn taak berekend is, omdat hij hoofd- en bijzaken niet meer van elkaar kan of wil scheiden. Door de dorpelingen laat hij zich verschillende versies van de gebeurtenissen opdissen, die elkaar zozeer tegenspreken dat er geen enkel feit aan te ontlenen valt. Zijn notitieblok blijft dan ook leeg, tot verbazing en ergernis van een jongere collega, werkzaam bij een onaanzienlijk streekblad, hoopvol De vooruitgang genaamd. Hij heeft juist geen enkele moeite met het formuleren van een overkoepelende visie op de zaak, maar hij kan haar niet kwijt in zijn krant, omdat zijn lezers eigenlijk alles al weten. Zij hebben genoeg aan hun eigen interpretatie of reconstructie van de geschiedenis en zitten niet te wachten op andermans verhalen. “Nieuws wordt door mijn lezers niet getolereerd,” moppert hij.

Het is een aardige tegenstelling die Van den Brink hier creëert: de tegenstelling tussen een oudere journalist die zich het liefst zou laten verzinken in het van bijzaken doortrokken dorpsleven en de ambitieuze verslaggever die aan dat zompige leven juist wil ontstijgen om er scherpzinnige analyses aan te kunnen wijden.

De echte verslaggever in de roman is intussen H.M. van den Brink zelf, die de touwtjes stevig in handen heeft. Hij is een bedreven verteller, die moeiteloos overschakelt van plechtig naar alledaags, van overpeinzing naar snelle dialoog en die een zintuig heeft voor de klinkende metafoor (“de panieklucht van schroeiend plastic”) en de speelse personificatie (“Haar rubberlaarsjes stapten de poort uit”). Aan zijn personages verleende hij niet meer dan vage contouren, zodat hij aan het slot nog bijna ongemerkt een wisseltruc kan uitvoeren. Een van de komische constanten in de roman is de beschrijving van karakterloze gezichten. “Niet bleek, niet bruin; niet hoekig, niet uitgesproken rond”, zo luidt het negatieve signalement van de hoofdfiguur, wiens ogen “evengoed grijs als groen als blauw konden zijn”. Zijn jongere collega werd uitgerust met “een slim maar verder onopvallend gezicht van het soort dat je graag om je heen hebt, maar later bij een toevallige ontmoeting niet meer thuis weet te brengen.” Een pensionhouder heeft een ongezond bleek en week gezicht. “De zakjes onder zijn ogen en de rode wangen leken pas later aan het geheel te zijn toegevoegd, in een poging om er nog iets karakteristieks van te maken.” Een vrouwelijke rechter moet het stellen met een nietszeggend vollemaansgezicht, een oude boer met een tandeloos bekje, de vader van twee verdachten met een “rond en plat” voorkomen.

De enige die scherpe trekken krijgt toegemeten is een oorlogsveteraan, een gestrenge winkelier met principes en opvattingen. “Het was een vooroorlogs gezicht, mager, met knokige jukbeenderen en diepliggende ogen die met de jaren wateriger waren geworden maar toch nog altijd in hun kassen leken te branden.” Hij koestert nog altijd vooruitgangsgedachten en idealen. Anders dan zijn dorpsgenoten laat hij zich niet door persoonlijke of opportunistische, maar door nationalistische motieven leiden. Hij wil het dorp in de publiciteit hebben op een heroïsche en exemplarische manier. De drie vermoorde jongens wenst hij niet als zinloze slachtoffers te zien, maar als helden die zich opofferden voor volk en vaderland, ook al is een en ander niet in overeenstemming met de feiten.

Maar dit is niet het soort vooruitgang waarnaar in de titel van de roman verwezen wordt. Van collectieve idealen valt weinig goeds te verwachten. Vooruitgang in het algemeen bestaat niet, zoveel valt uit dit boek wel op te maken.

Ieder mens moet zich maar op eigen kracht vooruit zien te helpen als pensionhouder, boer, rechter, stierevechter of winkelier. Of als verslaggever of schrijver natuurlijk. Een betere wereld zal dat wel niet meteen opleveren, maar soms, zoals in dit geval, wel een mooi verhaal.