New York

W 139, Warmoesstraat 139. T/m 21 nov. Wo t/m zo 12-18u. Catalogus ƒ 25,-.

Pieter Hensen en Ad de Jong bezochten voor de Amsterdamse kunstenaarsruimte W 139 meer dan zeventig jonge, onbekende kunstenaars in New York. Ze selecteerden er vijftien, die nu meerdere werken tentoonstellen in de grote expositiezaal van W 139 in de Warmoesstraat. Het is een bijzondere expositie, die een treurig beeld geeft van het leven in New York. Als de vijftien kunstenaars één ding gemeen hebben, dan is het wel dat ze zich bewust zijn van de tijd waarin ze leven en vooral, hoewel ze nog jong zijn, geleefd hebben. Die tijd willen ze koste wat het kost in hun werkstukken laten zien. Voor The Apotheosis of St. David Koresh bakte Matthew Freedman van klei figuurtjes die de aanval van de politie op het bolwerk van de sekteleider afgelopen voorjaar verbeelden. Maar meestal gaat het de kunstenaars niet om zulke actuele gebeurtenissen, ook David Freedman niet. Met zijn kleisoldaatjes ensceneert hij in een ander hoekje van de grote expositiezaal aan de Warmoesstraat een willekeurig gevecht. Bijna steeds nemen de Newyorkers eigen ervaringen, vooral jeugdherinneringen, tot uitgangspunt. “I memorize a lot of childhood experiences and domestic accidents in these sculptures,” zegt Vince Gargiulo in de catalogus. Vaak is de implicatie dat hun ervaringen niet veel zullen verschillen van de ervaring van een heleboel anderen. En daar komen ze rond voor uit. In de catalogus zegt Beth Haggart bijvoorbeeld: “My work is personal. (-) When I finally make a piece, when it holds true, then I believe it speaks not only of my own experiences (-).”

Dit zoeken naar grote gemene delers maakt hun werk vaak juist bijzonder onpersoonlijk. In de meisjeskamerkast van Wendy Hirschberg staan schoenen en woorden als crazy, willing, jeaulous, wild. Opzienbarend is dat niet.

Graag willen de kunstenaars laten zien dat hun en het leven bijzonder naargeestig is: ze bezoeken supermarkten en vuilnisbelten, lezen ranzige pornoblaadjes, spelen met hun oude poppen en soldaatjes, krijgen een auto-ongeluk.

Het lijkt wel alsof de kunstenaars het willen doen voorkomen alsof ze volstrekt inwisselbaar zijn met hun onder-, boven-, over- en benedenburen, gevangen in de metropool New York. Kunst biedt kennelijk geen uitweg meer uit deze wereld, elk utopisch verlangen lijkt de Newyorkers vreemd.

Soms levert deze aanpak aardige, grappige werken op, zoals de kleimannetjes met hoog opgetrokken onderbroeken van Freedman en de uit meerdere exemplaren opgebouwde schoenen van Gargiulo. Meestal zijn de werken samengesteld uit materiaal dat deel uit maakt van het onderwerp: als Lauren Szold een werk maakt over - onder meer - vrouwen en het huishouden, dan gebruikt ze - onder meer - meel, eierdooiers en kledingverf, met als resulaat een grote plas gekleurde vloeistof op de grond van W 139. Alleen al door het materiaalgebruik verschilt deze expositie aanzienlijk van de tentoonstelling van Amerikaanse kunstenaars Horn of Plenty een paar jaar geleden in het Stedelijk Museum. Hier zijn geen glimmende, adembenemend volmaakte gebruiksvoorwerpen te zien, vaak zijn de dingen kapot, soms helpen ze mee een nieuw ding te vormen, zoals de marshmellows die voor Peter Boynton een bonsaiboompje laten bloeien. Het best bevallen de kunstenaars die uit het materiaal toch een esthetische ervaring weten te halen, zoals David Lindberg, die bijvoorbeeld laat zien hoe prachtig cornflakes kunnen glanzen. Beth Haggart vervaardigde een jurk van elektriciteitsdraad, die onder stroom lijkt te staan. De drang om de jurk aan te raken is groot, juist omdat er gevaar dreigt. En dat terwijl in een expositieruimte men meestal niet geacht wordt iets te bevoelen. Wat zal er gebeuren? Krijg je een elektrische schok? Ook deze jurk laat de toeschouwer iets beleven, maakt hem niet murw met treurige ervaringen, in veel gevallen te algemeen om veelzeggend te zijn.