Landbouw wil regionale aanpak milieu

DEN HAAG, 12 NOV. Het ministerie van landbouw, natuurbeheer en visserij (LNV) wil dat milieuproblemen per regio worden opgelost. De overheid moet zich beperken tot het stellen van normen en er op toezien dat die worden gehaald.

Dat blijkt uit de nota LNV Milieubeleid, opgesteld in overleg met het ministerie van VROM, het Landbouwschap en de stichting Natuur en Milieu. De nota, die door de bewindslieden Bukman en Gabor op hoofdlijnen wordt onderschreven, is de bijdrage van het ministerie aan het tweede Nationaal Milieubeleidsplan, dat eind dit jaar verschijnt.

Volgens het ministerie is de landbouwsector op de goede weg wat het milieu betreft, maar moet er nog veel gebeuren. De belangrijkste problemen zijn de regionale ammoniakbelasting, het “weglekken” van bestrijdingsmiddelen en meststoffen naar het oppervlaktewater en de verdroging. Vooral bos- en natuurgebieden hebben daar ernstig onder te lijden. Meer dan tien procent van de landbouwgrond is verontreinigd.

De uitvoering van het milieubeleid moet volgens het ministerie meer komen te liggen bij de land- en tuinbouw zelf, de lagere overheden en de natuur- en milieuorganisaties. Belangrijk is wel dat “de druk op de ketel blijft”, aldus de nota.

Het nieuwe beleid betekent verder dat per gebied wordt gekeken naar de milieuproblemen, omdat verzuring, verdroging en vermesting vooral regionaal gevolgen hebben. “Afhankelijk van de aanwezige, dan wel in de toekomst gewenste bos- en natuurtypen, en afhankelijk van een goede dan wel slechte milieukwaliteit, zal er per regio een toegesneden milieustrategie moeten worden ingezet”, aldus de nota. Dat kan er toe leiden dat in de buurt van bedreigde bossen de veehouderij extra beperkingen krijgt opgelegd.

Volgens het ministerie is de aanpak van de milieuproblemen in de landbouw in het verleden “sterk gedomineerd door de (centrale) overheid”. Het beleid heeft echter alleen kans als de verantwoordelijkheid meer bij het bedrijfsleven komt te liggen, aldus de nota. “De afgelopen tijd heeft geleerd dat de sterke top-down, regulerende besturingsbenadering tegen zijn grenzen aanloopt, met alle gevolgen voor de handhavingslast.”

Het ministerie noemt als goed voorbeeld het mestbeleid 1995-2000, zoals dat is overeengekomen met de landbouw. Volgens dat - nog zeer omstreden - akkoord moet iedere veehouder er zelf voor zorgen dat hij het mestprobleem van zijn bedrijf oplost.

Het nieuwe beleid van het ministerie houdt in dat er naar nieuwe beleidsinstrumenten moet worden gezocht. De generieke, voor iedereen geldende regels, leveren niet het gewenste resultaat op en werken soms averechts, zo meldt de nota. “Voorlopers worden onvoldoende beloond of zelfs gestraft voor hun voortvarende investering. Biologische boeren moeten aan eisen voldoen, die strijdig zijn met hun milieuvriendelijke bedrijfsvoering.”

Een nieuw instrument is bij voorbeeld de invoering van heffingen op de uitstoot van schadelijke stoffen. Op die manier krijgt het milieu een prijs en wordt het een economische factor. Ook het verhandelbaar maken van emissierechten wordt bestudeerd.

Het ministerie maakt wel de aantekening dat er voor gewaakt moet worden dat de overheid te ver terugtreedt. Ze blijft politiek verantwoordelijk. Verder blijft wet- en regelgeving een belangrijke functie vervullen.