Lagerhuis Spanje: onze broekriem zit strak genoeg

MADRID, 12 NOV. Regerings- en oppositiepartijen in het Spaanse Huis van Afgevaardigden hebben deze week in grote meerderheid het amendement verworpen om hun salarissen met ingang van het volgende jaar met tien procent te verlagen.

Het voorstel hiertoe was afkomstig van Vicente González Lizondo, enig afgevaardigde van een regionale partij uit de oostelijke regio Valencia, en bedoeld als “een gebaar van solidariteit in de richting van de burger”. Door zelf de broekriem stevig aan te halen, zou het beroep op de bevolking om hetzelfde te doen er een stuk geloofwaardiger op worden, aldus Lizondo.

Daar dacht een ruime meerderheid anders over. In opmerkelijke eensgezindheid veroordeelden zowel de regerende socialisten van premier González als de oppositiepartij Partido Popular de voorstellen als een staaltje goedkope demagogie. Lizondo had kennelijk een dikke erfenis in de wacht gesleept, zo werd in de zaal gegniffeld, en dan is het makkelijk praten.

In het debat werd onder meer als argument aangevoerd dat de Spaanse politiek vergeleken met de overige landen in de Europese Gemeenschap bepaald geen vetpot genoemd kan worden. Het parlementaire basissalaris in Spanje, dat dit jaar bevroren werd op het niveau van 1992 en ook volgend jaar niet zal stijgen, bedraagt maandelijks ruim vijfduizend gulden bruto. Spanje staat daarmee onderaan de Europese ranglijst, die met onbetwiste voorsprong wordt aangevoerd door Italië. Daar krijgt de volksvertegenwoordiger al snel drie en een half maal zoveel op zijn bankrekening gestort. De Nederlandse parlementariër verdient tweemaal zoveel als zijn Spaanse collega.

Niettemin zijn er de laatste weken wat afgunstige berichten verschenen over de privileges die de Spaanse volksvertegenwoordigers zouden genieten. Het gaat daarbij vooral om het gratis reizen met de spoorwegen en Iberia, zij het toeristenklas. Met de totale onkostenvergoeding kan het salaris oplopen tot ruim achtduizend gulden, in tijden van crisis nog een aanzienlijk bedrag.