Korter werken arts blijft ijdele droom

ROTTERDAM, 12 NOV. “De arts-assistenten in de ziekenhuizen vormen nog steeds een vogelvrij volk. Ze zitten gevangen in een merkwaardige cultuur van extreem lange werkweken voor een loon dat is afgestemd op normale arbeidstijden. Voor klachten moeten ze bovendien terecht bij hun opleider of bij degene die dat kan worden en die belang heeft, ook financieel, bij die lange werkweken en diensten die ze draaien.”

Het bestuur van de Landelijke Vereniging van Assistent-Geneeskundigen (LVAG) mort. Aanleiding voor de boosheid is de trage gang van zaken bij de invoering van het werktijdenbesluit dat de gemiddelde werkweek van de arts-assistent tot 'normale' proporties reduceert. Voor de assistent-geneeskundige in opleiding is dat een gemiddeld 48-urige werkweek (waarvan tien uur voor met de opleiding samenhangende werkzaamheden), voor assistent-geneeskundige-niet in opleiding, de agnio, een 38-urige werkweek, met voor beide groepen bovendien een vergoeding voor in beperkte mate toegestaan overwerk.

De Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB), die de arts-assistenten onder de werking van de Arbeidswet plaatst, geldt sinds 1 februari. Maar de feitelijke invoering ervan verloopt traag en de arts-assistenten stuiten daarbij op tegenwerking maar ook op concrete problemen. “De Maatregel van Bestuur is zeker rigide en lang niet altijd even goed toe te passen. Maar ziekenhuizen en specialisten hebben de kans voorbij laten gaan om zelf het probleem van de extreme werktijden aan te pakken, dus moeten ze daar nu niet als eerste over gaan zeuren”, aldus het LVAG-bestuur.

Werkweken van zeventig tot tachtig uur, continudiensten die op vrijdag begonnen en pas maandagavond eindigden: voor de arts-assistenten in de ziekenhuizen zijn dat van oudsher heel gewone zaken. Het hoorde bij de opleiding, zo leek het, ook al is een dergelijke inspanning - eenmaal medisch specialist zijnde - ongebruikelijk.

De in 1976 ingevoerde CAO voor de ziekenhuizen vormde een eerste opstapje naar de normalisering van de arbeidstijden. Maar die werd slecht nagekomen, wat deels wordt geweten aan het feit dat veel arts-assistenten toen in dienst van de specialisten waren. Maar ook nu nog wordt de CAO in de meeste ziekenhuizen voor de arts-assistenten niet behoorlijk nagekomen, zo constateert de LVAG, al zijn de meeste arts-assistenten tegenwoordig in dienst van het ziekenhuis.

Begin jaren tachtig pleitte een werkgroep dan ook vergeefs voor een werkweek van maximaal vijftig uur. In 1985 besloot de Tweede Kamer dat de arts-assistenten onder de werking van de Arbeidswet zouden komen waardoor onder meer de Arbeidsinspectie toezicht zou kunnen houden op de naleving van de wet. In 1989 kwam het kabinet met het concept van de AMvB waarin dat wordt geregeld.

De Landelijke Specialisten Vereniging en de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst waren het in eerste instantie eens met de voorgestelde regeling. Alleen de chirurgen maakten bezwaar. Net als toen meent de Nederlandse Vereniging voor Heelkunde ook nu nog dat een werkweek van minimaal zestig uur, zowel in de opleiding als in de gewone praktijk, nodig is om een behoorlijk chirurg te worden en te blijven.

Over de financiële gevolgen van de invoering van een 'normale' werkweek werd bij de publikatie van de concept-tekst door niemand hardop gesproken. Toch was toen al duidelijk dat de invoering belangrijke consequenties zou hebben. Of er zouden meer arts-assistenten moeten komen om dezelfde hoeveelheid werk in het ziekenhuis te kunnen uitvoeren, wat tot hogere kosten leidt, of de specialist zou zelf een deel van die werkzaamheden, waaronder avond- en weekeinddiensten, moeten overnemen, waardoor voor hem de opbrengst per gewerkt uur daalt. En juist die financiële consequenties leidden tot talrijke protesten in de maanden voorafgaand aan de invoering van de AMvB.

De kleine twintig miljoen gulden die staatssecretaris Simons (volksgezondheid) als compensatie ter beschikking stelde werd door specialisten en ziekenhuizen onvoldoende bevonden. Zij lieten het adviesbureau KPMG een onderzoek doen naar de kosten van het invoeren van het werktijdenbesluit. Dat kwam in september 1992 tot de conclusie dat uitvoering van CAO en werktijdenbesluit 138 miljoen gulden kost, zo'n 120 miljoen meer dan Simons beschikbaar stelde.

Het is een conclusie die door zowel de LVAG als door de Landelijke Vereniging van Artsen in Dienstverband (LAD) van de hand wordt gewezen. De KPMG baseerde de uitkomsten volgens de twee verenigingen ten onrechte op het gegeven dat in alle specialismen alle arts-assistenten als het ware fulltime diensten zouden draaien. Het bureau zou ook mogelijke efficiëncywinst hebben genegeerd die kan worden geboekt door het werk anders te regelen en het besteedde bovendien te weinig aandacht aan een mogelijk grotere inzet van de specialisten zelf.

LVAG en LAD schatten dat zestig tot zeventig miljoen gulden nodig is voor de invoering van de Algemene Maatregel van Bestuur, dus bijna vijftig miljoen gulden meer dan Simons geeft. “Maar dat is in feite vijftig miljoen aan gederfde, jaarlijks niet betaalde vergoeding voor overwerk”, zo stelt het LVAG-bestuur vast. Het ziet daarin geen argument voor ziekenhuizen en specialisten de invoering van de Maatregel tegen te houden.

“Sommige maatschappen beginnen de arts-assistent eerder te zien als een last dan als een lust”, zo valt te lezen in de rapportage van de medisch specialisten in Alkmaar over een nieuwe honoreringsstructuur. Zij constateren dat onder meer door de invoering van het werktijdenbesluit de kosten van de arts-assistenten sneller oplopen dan de baten die ze opleveren. Maar het zijn niet alleen de financiën die de invoering van het werktijdenbesluit moeizaam doen verlopen. Ook organisatorische problemen spelen een belangrijke rol. Zo is het nodig om de instroom van basisartsen te verruimen en het aantal opleidingsplaatsen uit te breiden om ook op de langere termijn over het benodigde aantal extra arts-assistenten te kunnen beschikken. Daarnaast is het inroosteren van de agio's en agnio's met het werktijdenbesluit in de hand in een aantal specialismen zeer moeilijk.

De acht academische ziekenhuizen doen mee aan een landelijk project waarbij een voor de personal computer geschikt rooster wordt ontwikkeld. In elk academisch ziekenhuis zijn onlangs twee afdelingen gevonden die als 'pilot' aan de studie meewerken. In veel perifere ziekenhuizen wordt ook geëxperimenteerd met aangepaste roosters, vooral in de specialismen waar de assistenten in feite de diensten draaien. Ook vraagt het overdragen van patiënten bij wisselen van de diensten extra aandacht: door toename van het aantal overdrachten neemt de kans toe dat er fouten worden gemaakt.

De invoering van het werktijdenbesluit vergt ook een aantal mentale aanpassingen. De specialist moet accepteren dat een patiënt met meerdere artsen te maken krijgt. En dan is er het idee dat lange werkweken goed zijn. Veel (aankomende) specialisten geloven daar al lang niet meer in. Zij willen dat in elk geval niet meer. Recent onderzoek onder basisartsen en aankomende internisten leert dat meer dan driekwart van de ondervraagden een werkweek wil van minder dan vijftig uur. Bijna de helft wenst zelfs veertig uur of minder te werken.

De kwaliteit van de geboden zorg is gediend met kortere werkweken, zo stelt de LVAG. En ook het overgrote deel van de aankomende specialisten meent dat de kwaliteit er beter van wordt. Maar uiteindelijk is het, zoals voorzitter H.R. Michels van de Nederlandse Vereniging voor Cardiologie begin dit jaar in Medisch Contact schreef, “bijna komisch een discussie te voeren over een 48-urige werkweek in een samenleving die ADV, VUT en wat dies meer zij heeft uitgevonden en een werkweek van veertig uur of minder als norm stelt”.

    • Quirien van Koolwijk