Konrád: iedereen in Sarajevo is een gijzelaar geworden

De Hongaarse auteur György Konrád, vice-voorzitter van de schrijversorganisatie PEN, woonde gisteren in Amsterdam de oprichting bij van het Rushdie Defense Committee. Hij heeft een plan voor de evacuatie van ruim vijftig schrijvers uit Sarajevo.

AMSTERDAM, 12 NOV. “Het gaat me niet om schrijvers. Het mogen wat mij betreft ook kinderen zijn. Het maakt niet uit. Iedereen die Sarajevo wil verlaten moet dat kunnen: eindelijk veilig. Er mag geen reden zijn om mensen in een gevaarlijke situatie te houden, als gijzelaars van een regering die althans gedeeltelijk verantwoordelijk is voor het geweld. Maar de PEN is een schrijversorganisatie: we richten ons op schrijvers.”

De Hongaarse schrijver György Konrád, vice-voorzitter van de PEN, wil 52 in Sarajevo levende schrijvers uit de belegerde stad laten evacueren. Het plan is tot nu toe stukgelopen op de weigering van de VN en de strijdende partijen in Bosnië aan dat voornemen mee te werken. De buitenwacht zet er vraagtekens bij: waarom schrijvers? Woensdag nog zei de Bosnische kunstenaar Haris Pasovic in een debat met Konrád dat hij zich, als hij in Sarajevo zou wonen, zou “schamen” uit de stad te worden weggehaald. Anderen vinden dat de schrijvers van de stad beter worden geholpen met hulpgoederen of met bezoeken waarmee symbolisch de solidariteit van de buitenwereld wordt onderstreept.

Konrád: “Ik heb Pasovic met nogal wat reserves aangehoord. Ik vond het een moreel nogal overtrokken verklaring. Als iemand zich niet wil laten evacueren respecteer ik dat.” Het doet hem denken, zegt hij, aan het verhaal over dat boeddhistische klooster dat door bandieten wordt overvallen. Ze slaan alles kort en klein en stuiten in de laatste zaal op de monniken, die geen vinger uitsteken, ook niet als hun één voor één het hoofd wordt afgeslagen: de monniken sterven waardig. Een dal verderop stuiten de bandieten op een ander klooster, met andere monniken: die verzetten zich en vechten zich dood. Ook deze monniken sterven waardig.

Konrád: “Ik voeg daar een derde klooster aan toe. Die monniken vluchten. Ze sterven nét. Elke burger van Sarajevo is een gijzelaar van de regering tot die regering ophoudt met vechten voor een Bosnische eenheidsstaat die niet meer te verwezenlijken valt en die, zelfs als hij wel te verwezenlijken valt, nooit zoveel levens waard is.”

Pag.9: Ik sta aan de kant van de doodgeschoten mens

Dat “levens geen inzet mogen vormen bij politieke conflicten”, zegt Konrád, heeft hij zelf geleerd bij de Hongaarse opstand van 1956, toen hij met een machinegweer in de hand de universiteit van Boedapest tegen de Russen verdedigde. “Er kwam een jongeman op me af, die me vroeg met hem naar een kazerne te gaan waar mensen zaten die vanaf de Géllert-heuvel werden beschoten en die zich niet konden verdedigen. Ik vroeg hem waarom ik naar die kazerne moest. Hij zei: om samen te zijn met die mensen. Daarop heb ik gezegd: het lijkt me beter als ze weggaan uit die kazerne. Ik heb zelf mijn machinegeweer begraven en ben weggegaan.”

Niet iedereen denkt er zo over, zo weet Konrád. Hij is ook niet tegen andere opties, hij is niet tegen het sturen van hulp. “Het is een mooi gebaar, we kunnen de 35 leden van PEN-Bosnië die in Sarajevo wonen pakjes sturen, we doen er chocola in en koffie en desnoods wat hasj en honderd mark, dan hebben ze een mooie avond. Ik vind zulke ideeën prachtig. Maar ik doe liever iets substantieels. Schrijvers overleven in Sarajevo met een inkomen van vijf mark per maand, terwijl de aardappelen tien keer zo duur zijn als hier. Sommigen stoken hun bibliotheek op om zich warm te houden. Dat was voor ons genoeg. We moeten ze helpen, en toen die lijst van 52 mensen kwam die zich willen laten evacueren, hebben we dat plan gemaakt.”

Ook symbolisch bedoelde bezoeken aan Sarajevo van schrijvers als Susan Sontag en Juan Goytisolo, bedoeld om de inwoners van de stad te laten weten dat er nog mensen zijn die zich om hen bekommeren, maken weinig indruk meer op Konrád. Hij heeft wel gezien hoe dat werkt, bij het PEN-congres in Dubrovnik. “Het idee was: daar komen tweehonderd schrijvers van een schip af, dat verbetert de stemming van de inwoners, want hier begint een nieuw tijdperk: de wereld komt naar Dubrovnik.” Het is holle retoriek en het is vals, zegt Konrád. “Ik denk dan: zijn die inwoners van Dubrovnik wel zo blij als die tweehonderd schrijvers aan land komen? Dat schip gaat straks weer weg en wat heeft dat hele bezoek dan opgeleverd? Wat verkeer in een bar, niet veel meer. En de president heeft een mooie rede gehouden, met de hele wereldliteratuur om zich heen, een wereldliteratuur die aldus ook nog de morele autoriteit verhoogt van een overheid die ze helemaal niet wil steunen.” Als ik naar Sarajevo zou gaan, zegt Konrád, dan niet om hulp te verlenen, maar als schrijver, om te proberen het te begrijpen.

Goytisolo heeft na zijn bezoek geschreven dat intellectuele druk op de internationale gemeenschap het bloedbad in Bosnië had kunnen verhinderen. Konrád gelooft er niets van, en gelooft evenmin dat een consequentie van Goytisolo's opvatting, de vorming van een 'internationaal schrijversparlement', veel zin heeft, al zal hij niet tegen de vorming van zo'n parlement protesteren. “Het is redelijk èn het is overbodig. Waarom schrijvers? Schrijvers hebben in hun hoofd niets met elkaar gemeen. Kinderartsen kunnen de publieke opinie in de wereld net zo goed beïnvloeden als schrijvers.”

Het eerste en belangrijkste in Bosnië, vindt Konrád, is het staken van het bloedvergieten. Als de wapens zwijgen kan het leven beginnen zich te herstellen. En op de langere termijn zal dat gebeuren, dat weet hij zeker. “Onder het communisme moest alles worden aaneengesmeed. Van twee kleine fabrieken werd één grotere gemaakt, niet omdat die beter produceerde, maar omdat men geloofde in administrative bigness. Nu moet alles weer worden opgesplitst. Soms is dat zinvol, allerlei nieuwe aspiraties komen aan het licht. Maar soms gaat het te ver. Als in de gemeente Boedapest alle 22 districten opeens soeverein willen zijn, schep je een monster. De pendule schiet door tot een absurd extreem. Dat gebeurt in Joegoslavië.”

Die pendule, zegt Konrád, zal beginnen terug te zwaaien als eerst de wapens zwijgen. Met rechtvaardigheid heeft dat niets te maken: “Er bestaat geen rechtvaardige oorlog. Ik kan me niet voorstellen dat ik op de Balkan of in de Kaukasus tegen een jonge man zeg: ga deze oorlog in. Ik zeg: loop ervoor weg. De oorlog in Bosnië heeft van allen fascisten gemaakt. Ook van de Kroaten die het in het begin niet waren, en ook van de moslims. De Bosnische regering wil doorvechten. Maar die regering heeft de levens van haar burgers niet in eigendom. Mensenlevens vormen een slechte inzet in een politiek conflict.

“In Sarajevo kunnen mensen hun huis niet meer verwarmen en hebben ze niets te eten. Ik ben voorzitter van PEN geworden uit een moreel plichtsbesef: PEN heeft mij beschermd toen ik dissident was, nu probeer ik anderen te beschermen. Als schrijver sta ik aan de kant van de doodgeschoten mens. Misschien vind je dat te simpel. Maar zo eenvoudig ligt het.”