Jonge violist Gouder nog halverwege leerproces

Concert: Recitals door jonge Nederlanders: Armand Gouder de Beauregard, viool, Jaap Kooi, piano. Mozart: Sonate in Bes, KV 378. Schubert: Fantasie in C, D 934. Ravel: Sonate Posthume. Liszt: Grand duo concertant. Gehoord 11/11, Concertgebouw Amsterdam.

Het opvallendste aan de 21-jarige violist Armand Gouder de Beauregard is dat er een groot vuur in hem woedt. Maar die hartstocht voor de muziek in het algemeen en de viool in het bijzonder is nog niet in evenwicht met zijn muzikale inzicht en zijn technische beheersing, zo werd gisteravond duidelijk tijdens zijn debuut in het Amsterdamse Concertgebouw.

Geboren in Haarlem als zoon van een hoboïst en een pianiste, wist Gouder de Beauregard al heel jong dat hij violist wilde worden. Hij studeerde bij Jan Hesmerg, Qui van Woerdekom en Davina van Wely, waarna hij twee derde prijzen won op het nationale Oskar Back Concours 1991 en het internationale Carl Flesch Concours 1992. Op dit moment is hij leerling van Philip Hirshhorn en Viktor Liberman aan het Utrechts Conservatorium.

Vooral van Liberman leerde Gouder de Beauregard, die zichzelf met gepaste bescheidenheid beschouwt als iemand die nog maar aan het begin van alles staat, een heleboel: “Je geeft hem een partituur en dan begint hij te schrijven. Dynamische tekens, articulatietekens, hij kalkt zo'n hele partij vol. Daar heb je enorm veel aan. Het mag dan een voorgekauwde interpretatie lijken, maar wat wij jonge mensen toch vooral doen is in de huid van anderen kruipen. Je leert van imiteren, al ontwikkel je uiteindelijk natuurlijk wel een eigen visie op een werk.”

In het verloop van zijn recital werd duidelijk dat Gouder de Beauregard zich ergens halverwege dit leerproces bevindt. Zijn onstuitbare liefde voor de viool schemert als iets heel eigens door in alle noten die hij speelt, maar tegelijkertijd klinken zijn interpretaties nog te impulsief, te fragmentarisch en te eenzijdig om van een overtuigende opvatting te kunnen spreken.

Violistisch gezien kan Gouder de Beauregard nu al bogen op een soepele en beheerste streek, waarmee hij een rijk assortiment aan klankkleuren uit zijn instrument weet te halen. Wat minder trefzeker is zijn intonatie, maar zijn rechterhand is wel snel en flexibel en zijn vibrato is in principe warm en gevarieerd. Muzikaal gesproken doen zijn onstuimige vertolkingen echter af en toe denken aan een galopperende ruiter die niet goed weet hoe hij de teugels kan laten vieren. Het paard slaat op hol en de ruiter vliegt uit het zadel, waardoor de muziek stagneert.Zo was er een voortdurende spanning merkbaar tussen het keurig aangeleerde en ingestudeerde, en datgene wat de getalenteerde Gouder de Beauregard spontaan wilde uiten. Hij was op zijn best in heroïsche, dramatische en virtuoze passages, maar het ontbrak hem nog aan raffinement om ook de lyrische momenten en alle stemmingsnuances daar tussenin overtuigend te verklanken. Gouder de Beauregard vertolkte Mozart en Schubert warmbloedig en robuust, maar weinig subtiel en elegant. Zijn visie op de Sonate Posthume van Ravel was te theatraal om indruk te maken.Wel overtuigend was zijn geestdriftige interpretatie van het virtuoze maar banale Grand Duo Concertant van Liszt.