Het verderleven van het Bauhaus onder de nazi's; Loyale Duitse staatsburgers

Winfried Nerdinger (red.): Bauhaus-Moderne im Nationalsozialismus. Uitg. Prestel, 216 blz. Prijs ƒ 71,-

Op 11 april 1933 werd het Bauhaus in Berlijn door de nazi's gesloten. Sindsdien wordt de beroemde school voor industriële vormgeving en architectuur gezien als de belichaming van het goede, moderne Duitsland waaraan de nazi's rigoureus een einde maakten. Typerend voor deze opvatting is wat Wim Crouwel, directeur van museum Boymans-van Beuningen, in het Algemeen Dagblad vertelde over zijn afscheidstentoonstelling, waar onder meer beroemde functionalistische Bauhaus-ontwerpen als de Wassily-fauteuil van Marcel Breuer en de glazen lamp van Wilhelm Wagenfeld staan. Voor Crouwel is 1925, het jaar waarin het Bauhaus verhuisde van Weimar naar Dessau, een markeringspunt, vertelde hij: “Toen is het hoog-functionalisme ontstaan, dat met de opkomst van de nazi's is gestorven.”

Maar hebben de nazi's het 'hoog-functionalisme' wel echt vermoord? Was het nationaal-socialisme wel zo anti-modernistisch als Crouwel beweert? Het boek Bauhaus-Moderne im Nationalsozialismus geeft al in het voorwoord een antwoord op deze vraag. “Terwijl in de eerste decennia van de naoorlogse periode alleen de onderdrukking van de avant-gardekunst werd gezien, toont historisch onderzoek in toenemende mate aan dat delen van de moderne kunst niet alleen een 'nis' in het nationaal-socialisme hadden gevonden, maar ook op een paar gebieden (reclame, design en industriearchitectuur) heel openlijk in het belang van het systeem (-) werden ingezet.” De daarop volgende twaalf artikelen, die eerder bijna allemaal als bijdragen aan een Duits congres uit 1991 over het 'verderleven van het Bauhaus' dienden, staven deze bewering. Sabine Weissler laat bijvoorbeeld zien hoe de Bauhaus-vormgeving onder de nazi's werd gebruikt op tentoonstellingen en beurzen. Zo hadden Walter Gropius en Ludwig Mies van der Rohe, allebei ex-Bauhaus-directeur, in 1934 geen enkel bezwaar tegen het ontwerpen van delen van Deutsches Volk-Deutsche Arbeit, de eerste nazi-propaganda-tentoonstelling. Het drukwerk ervan werd verzorgd door de Bauhaus-typograaf Herbert Bayer, die later ook zou tekenen voor onder meer folders en brochures van de Olympische Spelen van 1936. Wilhelm Wagenfeld bleef gedurende de hele jaren dertig voor glasfabrieken serviezen ontwerpen die net zo functionalistisch waren als die uit zijn Bauhaus-tijd, en voor de SS-Porzellanmanufaktur Allach maakte hij een 'Diplomatengeschirr'.

Vooral in de industrie-architectuur bleef onder de nazi's het functionalisme heersen. Het reusachtige architectenbureau van Herbert Rimpl, dat was belast met de Reichswerke Hermann Göring, werd een verzamelbekken van oude Bauhäusler. Maar ook buiten de industrie overleefde het functionalisme. Het opzienbarendste artikel van Bauhaus-Moderne im Nationalsozialismus gaat over Ernst Neufert, een leerling van Walter Gropius die beroemd werd met zijn Bauentwurfslehre uit 1936. Dit leerboek, waarvan er over de hele wereld honderdduizenden zijn verkocht, is een typisch Bauhausprodukt. “Van concessies aan de traditionalisten van de jaren dertig en aan de officiële architectuur van het Derde Rijk, was in de Bauentwurfslehre niets te merken”, schrijft Wolfgang Voigt. Geheel in de geest van het functionalisme ging Neufert in dit boek precies na hoeveel ruimte nodig is voor zulke doodgewone handelingen als staan, zitten, liggen, wassen enzovoort, op basis waarvan hij vervolgens bouwvoorschriften gaf voor bijvoorbeeld een goede schuilkelder. Neufert was de kampioen van de standaardisering en werd daarvoor niet gestraft door de nazi's, maar juist beloond met een leidende functie op het architectenbureau van Albert Speer. Hier ontwierp hij in 1943 een huizenbouwmachine, een fantastisch ding dat nooit is gebruikt is maar strenge functionalisten als Mart Stam zou doen kwijlen.

Tragisch

Al deze voorbeelden wekken misschien de indruk dat Bauhaus-Moderne im Nationalsozialismus doorslaat naar de andere kant en ons wil voorspiegelen dat het nationaal-socialisme het modernisme van harte omhelsde. Dit is zeker niet het geval; er staan in het boek ook tragische verhalen. Over de schilder Oskar Schlemmer bijvoorbeeld die weliswaar het door de Reichskulturkammer geëiste ariërbewijs keurig inleverde, maar zijn werken toch vernietigd of opgesloten zag. Iets minder treurig was het lot van de beeldhouwer Gerhard Marcks wiens werk ook door de nazi's werd verwijderd uit de musea, maar die zeer succesvol bleef bij particuliere verzamelaars.

De verhouding tussen het nationaal-socialisme en het modernisme was, zo blijkt uit Bauhaus-Moderne im Nationalsozialismus, moeizaam maar niet onmogelijk. Het nationaal-socialisme had een januskop: het had een reactionaire kant, die tot uitdrukking kwam in het racisme en de Blut-und-Boden-ideologie, maar ook een moderne kant, die zich uitte in een geloof in de techniek. Geen wonder dat de meeste Bauhäusler op zijn minst ambivalent stonden tegenover het nationaal-socialisme. Zelfs Walter Gropius, van wie nog altijd vaak wordt gedacht dat hij zich minder dan Mies van der Rohe met de nazi's heeft ingelaten, nam een tweeslachtige houding aan. Hij protesteerde in 1933 weliswaar tegen de gelijkschakeling van de Werkbund, de organisatie die zich al sinds begin van de eeuw inzette voor goede Duitse industriële vormgeving, maar werd wel lid van de Reichskulturkammer en deed mee aan prijsvragen voor nationaal-socialistische 'huizen der arbeid'. Zijn vertrek naar Engeland in 1934 had in de eerste plaats te maken met zijn slechte financiële positie en tot 1939 bleef hij hopen op een terugkeer naar Duitsland. Toen hij, inmiddels hoogleraar aan Harvard geworden, een 'rijksvluchtelingenbelastingaanslag' kreeg, antwoordde hij dat hij het beschamend vond om als overloper te worden beschouwd, omdat hij zich altijd als 'loyale Duitse staatsburger' had opgesteld. Zo had hij altijd geweigerd zijn naam te verbinden aan het 'American Guild for German Cultural Freedom'.

Wat voor Gropius gold, ging op voor de meeste andere Bauhausprominenten, zo besluit het boek. Ze emigreerden niet omdat ze werden verbannen of in eigen land werden vervolgd, maar omdat er zich in het buitenland betere beroepsmogelijkheden voordeden. “De stelling dat het 'betere Duitsland' uitsluitend werd vertegenwoordigd door de in 1933 geëmigreerden heeft lange tijd een zwart-wit beeld gesuggereerd, dat niet overeind te houden is”, luidt dan ook een van de laatste zinnen van het laatste artikel.