Het recht om te schrijven en te leven; De moslimse steun aan Salman Rushdie

Toen de Iraanse geestelijk leider Khomeiny de fatwa tegen de Britse schrijver uitsprak, was het protest van de moslimse intellectuelen niet indrukwekkend. Nu, vijf jaar later, is er een opzienbarender protest. In de bundel Pour Rushdie nemen honderd Arabische en moslimse intellectuelen het op voor Rushdie. “Het is begrijpelijk dat in vele inzendingen wordt betreurd dat het Westen, dat in de Golfoorlog zo principieel optrad, zo weinig beginselvast is wat de mensenrechten betreft.”

Pour Rushdie, cent intellectuels arabes et musulmans pour la liberté d'expression, Ed. La Découverte/Carrefour des Littératures/Colibri, 307 blz. Prijs ƒ 55,35.

Het is nu vijf jaar geleden dat de in Bombay geboren schrijver Salman Rushdie zijn roman The Satanic Verses publiceerde. De titel slaat op de in de islamitische Koran-exegese vermelde overlevering dat de Satan er één keer in geslaagd zou zijn de profeet Mohammed een valse openbaring in te fluisteren. Het boek gaat overigens niet zozeer over de opkomst van de islam maar in hoofdzaak over de moslimse immigranten in Engeland, meestal uit India en Pakistan afkomstig.

The Satanic Verses is een gecompliceerd en grillig boek, waarin voortdurend de grenzen tussen vroeger en nu, en tussen droom en werkelijkheid vervagen. In het stuk dat in de tijd van de Profeet is geplaatst, beschrijft Rushdie hoe een van de hoofdpersonen droomt over een Mekkaans bordeel, waarvan de prostituées de namen hebben gekregen van Mohammeds negen echtgenoten. Het is deze episode die de moslims waarschijnlijk het meeste heeft geschokt. Rushdies verweer dat het allemaal fictie was en niet pretendeerde een werkelijkheid uit te beelden, mocht niet baten. Het boek veroorzaakte onder de moslims eerst in Engeland, en later over de hele wereld, een enorme opschudding, hetgeen op 14 februari 1989 culmineerde in de beruchte fatwa van Khomeiny waarbij openlijk opgeroepen werd tot moord op de schrijver (en zijn uitgevers).

Helemaal onbegrijpelijk is deze opschudding niet. Rushdie trad in deze roman vele taboes met voeten. Ook afgezien van de bordeelscènes wordt de Profeet er als een onsympathieke en, wat in moslimse ogen waarschijnlijk nog erger is, vooral als een niet erg waardige figuur geschilderd. Men behoeft zich maar voor te stellen hoe in een dergelijk geval gereageerd zou zijn (en trouwens ook is) door belijdende christenen om voor de emotionele reacties enig begrip te hebben. Maar de uitspraak van de oude Khomeiny die ophitste tot moord, de hysterische demonstraties in Londen en elders in Europa (helaas ook in Nederland), waarbij ook moordleuzen werden geschreeuwd, en de boekverbrandingen, overtroffen de stoutste verwachtingen.

Bij dit alles was het vooral teleurstellend dat er tegen de vogelvrijverklaring van een moslims (althans als moslims geboren) schrijver zo weinig protest is gerezen van de kant van moslimse intellectuelen, die immers vrijwel unaniem het fundamentalisme verafschuwen dat dergelijke scènes mogelijk maakt. Weliswaar publiceerden enkele dagen na de fatwa dertig Arabische, Iraanse en Turkse intellectuelen een petitie getiteld 'Nous sommes tous des Rushdie' in de Nouvel Observateur en vond er een kleine protestbijeenkomst plaats op het voorplein van het Trocadéro, maar gezien het belang van de zaak was dit wel wat mager. De reacties in de islamitische wereld zelf waren naar verhouding nog bescheidener: de enige mij bekend is een petitie van vijftig Arabische intellectuelen in Damascus, waarin Rushdies 'recht om te schrijven en te leven' verdedigd werd en die nog minder publiciteit kreeg.

Gelukkig is er nu een opzienbarender protest van moslims gekomen met de verschijning in Parijs van de bundel Pour Rushdie (gesignaleerd in het CS van 15 oktober 1993 door Rudy Kousbroek), waarin honderd Arabische en moslimse intellectuelen pleiten voor de 'liberté d'expression' en het voor Rushdie opnemen. Daarnaast is er ook een kort appel voor Rushdie opgenomen van ruim honderd Iraanse kunstenaars en intellectuelen. De lijst is indrukwekkend en bevat vele bekende namen, waaronder die van Nobelprijswinnaar Naguib Mahfouz. Teleurstellend is wel dat geen Pakistani's, Indiërs, en Indonesiërs hebben meegedaan (er is wel één bijdrage uit Bangladesh).

Parijs wordt in de inleiding een 'capitale arabe' genoemd en het is duidelijk dat de uitgevers vonden dat het vooral Frankrijk was dat hier een rol moest spelen in de islamitische wereld. Misschien zijn er geen Pakistani's of Indiërs uitgenodigd omdat Frankrijk vanouds weinig betrekkingen had met het Indische subcontinent. Maar nu blijft de indruk bestaan dat de moslims in India en Pakistan nog zover niet zijn, terwijl de protesten tegen Rushdie juist begonnen zijn onder de Indische en Pakistaanse immigranten in Engeland. Verscheidene bijdragen zijn trouwens van de hand van christelijke Arabieren, die zich uiteraard ook betrokken voelen bij de Rushdie-affaire.

Terrorisme

Natuurlijk zijn niet alle deelnemers aan de bundel bewonderaars van Rushdie; velen geven trouwens toe het boek niet gelezen te hebben. Maar allen protesteren, meestal heel fel en heel direct, uit principe tegen zijn veroordeling, ook al is er begrip voor het feit dat zo veel moslims door het boek geschokt zijn. Nobelprijswinnaar Naguib Mahfouz gaat helaas iets verder: hij vindt dat een schrijver 'als verantwoordelijk persoon' rekening moet houden met de samenleving waarin hij werkt, wat al wat minder liberaal is. Maar ook hij protesteert tegen het 'véritable terrorisme' waarvan Rushdie het slachtoffer is geworden. De overigens zeer liberale geleerde Mohammed Arkoun vindt weliswaar dat The Satanic Verses binnen bereik van alle moslims gebracht moet worden, maar kan niet nalaten daaraan toe te voegen dat in sommige Europese landen een 'arrogantie bestaat die onder de dekmantel van de vrijheid van drukpers tracht de islam nog verder naar beneden te halen'. Daarmee krijgt Europa, althans voor een deel, weer de schuld van de Rushdie-affaire. Het is de reflex, die in de ex-koloniën helaas vaak voorkomt, om alles wat er verkeerd is gegaan en nog gaat - en dat is niet weinig - toe te schrijven aan het Westen. Of is het gewoon de angst dat verdediging van Rushdie zal worden uitgelegd als pro-Westers?

Gelukkig blijkt uit vele andere bijdragen dat wel degelijk het besef is doorgebroken dat de islamitische wereld door de opkomst van het fundamentalisme (waarvan het regime van Khomeiny en zijn opvolgers een voorbeeld is) in een ernstige culturele en morele crisis verkeert. Terecht worden de vele moorden op liberale intellectuelen in die wereld met de Rushdie-affaire in verband gebracht. Een van de schokkendste was die op de Egyptische schrijver Farag Foda, maar ook die in Algerije en Turkije worden er in deze bundel bij betrokken.

Dat het fundamentalisme een probleem is van de islamitische wereld zelf, en dat het Westen daaraan weinig kan doen, wordt in de bundel duidelijk gesteld in de bijdrage van de Iraanse schrijver Ramine Karame: “Stel dat de Westerse regeringen de mollahs ertoe zouden brengen toe te geven in de zaak Rushdie (-) dan zijn daarmee de voorwaarden voor deze crisis niet weggenomen. Laat ons niet vergeten dat het fundamentalisme in de eerste plaats de islamitische wereld aangaat en alleen maar binnen deze wereld kan worden opgelost.”

De unanieme afkeuring van het fundamentalisme in deze bundel betekent natuurlijk niet dat 'de' islam erin wordt afgezworen. In zijn bijdrage stelt de Tunesische historicus Hichem Djaït dat de elite van de Arabische wereld in feite de islam als geloof en gevoelsmatig heeft verworpen, en wat de religie betreft onverschillig is geworden. Uit eigen ervaring kan ik bevestigen dat deze instelling onder Arabische intellectuelen veel voorkomt, maar dat dit geldt voor 'de' elite is niet juist. Uit verscheidene bijdragen in Pour Rushdie blijkt juist een zekere nostalgie naar een andere, verdraagzame en redelijke islam.

Voor de Tunesische journalist Khayati is 'een godsdienst die oproept tot de dood de onze niet'. Zo'n godsdienst is niet de islam van zijn moeder die op de dag dat hij als opgroeiende jongen zei dat hij niet meer geloofde in het bestaan van God en dat hij zou weigeren tijdens de Ramadan te vasten, antwoordde dat dat een zaak was tussen hem en Allah. “En toch was zij een moslimse vrouw die in God geloofde, haar vijf dagelijkse gebeden verrichtte, de aalmoes betaalde, en ervan droomde nog eens op bedevaart te kunnen gaan.”

Het is natuurlijk onjuist om 'het Westen' te verwijten dat het niet genoeg doet om het het probleem van het fundamentalisme op te lossen. Maar het is wel begrijpelijk dat in vele inzendingen wordt betreurd dat het Westen, dat in de Golfoorlog zo principieel optrad, zo weinig beginselvast is wat de mensenrechten betreft, niet alleen in de Palestijnse kwestie maar ook bijvoorbeeld bij zijn steun door dik en dun aan het fundamentalistische Saoedi-Arabië. We moeten inderdaad niet vergeten dat dit land al bijna honderd jaar streng fundamentalistisch wordt geregeerd. Er wordt geen enkele andere godsdienst geduld en elke liberale interpretatie van de islam zelf wordt onmiddellijk de kop ingedrukt. Die onverdraagzaamheid is ook door de Golf-oorlog niet veranderd: nog in september 1992 werd de dichter Sadok Malallah in het plaatsje Qatif (Oost-Arabië) onthoofd wegens blasfemie en afvalligheid. Daaraan is in de Westerse pers vrijwel geen aandacht besteed.

Ook in Egypte, sinds Camp David een trouwe bondgenoot van Amerika die met miljarden Amerikaanse dollars op de been wordt gehouden, wordt de vrijheid van drukpers herhaaldelijk geschonden. In januari 1992 werd de romanschrijver Hamedi wegens blasfemie tot acht jaar gevangenisstraf veroordeeld. In juni 1993 werd professor Abu Zaid, hoogleraar aan de universiteit van Cairo, beschuldigd van afvalligheid wegens publikaties waarin hij opriep tot een historische interpretatie van de Koran. Fundamentalisten probeerden zelfs zijn huwelijk te laten ontbinden omdat (wat helaas juist is) volgens de islamitische wet een moslimse vrouw niet met een ongelovige gehuwd kan zijn of blijven. Het ergste voorbeeld van deze censuur is wel dat na de moord op Farag Foda door interventie van de Azhar, de religieuze universiteit van Cairo, zijn boeken als godslasterlijk werden verboden: daarmee werd de moord op Foda een dubbele, op hemzelf en op zijn werk. Ook op andere manieren probeert de Azhar herhaaldelijk boeken te laten verbieden.

De Egyptische regering is in een felle strijd gewikkeld met de fundamentalistische beweging, waarbij al vele doden zijn gevallen. Zij voelt zich kennelijk gedwongen om vooral tegenover de (doorgaans zeer regeringsgetrouwe) Azhar, het bolwerk van de islamitische orthodoxie, af en toe enige concessies te doen. Als Realpolitik is zoiets begrijpelijk maar het toont ook de ernst van de situatie aan. Geen wonder dan ook dat de Libanese journalist Joseph Samaha, een van de christelijke Arabieren die aan de bundel hebben bijgedragen, het feit dat de islamitische publieke opinie in de Rushdie-affaire niet de zijde van het slachtoffer, maar van de beul heeft gekozen, op een bijna apocalyptische wijze uitlegt. Het is voor hem alsof de affaire het gelijk van Fukuyama aantoont: de geschiedenis is ten einde, en de affaire is niet meer dan 'du bruit hors des murailles de la civilisation'. De liberale en democratische waarden hebben gezegevierd maar de Arabieren en de moslims staan voor goed buiten. Zover gaat geen van de andere bijdragen maar het is geen wonder dat in deze bundel het pessimisme overheerst. Optimisme lijkt inderdaad pas weer gerechtvaardigd als een bundel als Pour Rushdie niet in Parijs, maar in de islamitische wereld zelf kan verschijnen.