Feesten voor de mijnwerkers; Le Grand-Hornu, een industrieel monument van verlicht kapitalisme

Nu zijn de mijnschachten gesloopt en de steenbergen begroeid, maar in de vorige eeuw was de Borinage een bloeiende industriestreek. Le Grand-Hornu, een fabriek met werkplaatsen, kantoren en arbeiderswoningen, is er de getuige van. Pas dit jaar werd dit 'juweel van de Borinage' tot monument verklaard, vooral dank zij de inspanningen van de architect Henri Guchez. “Hadden de mijneigenaren hun zin gekregen, dan was de boel zo gauw mogelijk gesloopt. En kijk nu eens! Siemens heeft hier een kantoor en IBM en een paar Waalse bedrijven die zich bezighouden met 'technologies de pointe'.”

Van oktober tot eind februari is Le Grand-Hornu open van 10 tot 12 en van 14 tot 16 uur. De rest van het jaar van 10 tot 12 en van 14 tot 18 uur. Gesloten op maandag. Rondleidingen kunnen worden aangevraagd. Telefoon: 09-3265770712. Misschien is het beter een fax te sturen, want het toestel is erg vaak in gesprek: 09-3265787398. Adres: Grand-Hornu Images, rue Sainte-Louise 83, B-7301 Hornu.

In Hornu kun je niet komen met het meest Belgische van alle vervoermiddelen, de trein. Je stapt uit in Quaregnon of Saint-Ghislain en vervolgens moet je er te voet of met de bus proberen te komen. Ik ben op weg naar de restanten van Waalse steenkoolindustrie en kies dus Quaregnon. Wie Waalse steenkoolmijnen zegt, zegt Borinage, wie Borinage zegt, zegt socialisme en wie in België socialisme zegt, weet waar Quaregnon ligt of hij weet niets.

In 1894 keurde het tiende congres van de Belgische Werkliedenpartij er het door haar voorzitter Emile Vandervelde opgestelde Charter van Quaregnon goed en de Waalse Parti Socialiste houdt nu nog altijd vast aan die beginselverklaring. Dat verbaast me niet, Vandervelde schreef briljant en ik krijg in deze postsocialistische tijden nog een krop in de keel als ik lees dat de Werkliedenpartij opkomt voor àlle onderdrukten in àlle landen en dat het socialisme 'l'émancipation économique, morale et politique du prolétariat' beoogt.

Ik loop langs een met as bestrooid perronnetje, stap over brokstukken van een betonnen omheininkje en trek de corons in, de stegen der Waalse proletariërs, op weg naar Le Grand-Hornu, een van de indrukwekkendste monumenten van verlicht kapitalisme die ik ken. Ik volg de rue de l'Egalité, laat de avenue du Travail rechts liggen en merk, mijn stadsplattegrond afzoekend, dat ik zonder het te merken voorbij een rue Jean Jaurès ben gelopen. Al een eeuw is het socialisme hier heer en meester en het heeft niemand vergeten. Uiteraard kreeg Emile Vandervelde een straat in Quaregnon, maar ook aan de ouwe Franse revolutionair Blanqui is gedacht en aan de Vlamingen Camille Huysmans en Eduard Anseele; proletariërs làten zich niet verdelen door taalstrijd, kameraad.

Wallonië is, na Midden- en Noord-Engeland, het vroegst geïndustrialiseerde gebied van Europa. Steenkool dolven ze in de Borinage al in de Middeleeuwen, de Waalse ijzernijverheid is nog ouder. In de jaren tachtig van de vorige eeuw waren werkdagen lang, sloppen grauw, lonen laag, bazen rijk en stakingen werden in bloed gesmoord. Het socialisme raakte diep verankerd tussen de schachttorens en de terrils, de mijnsteenbergen van de Borinage. De schachttorens zijn gesloopt, de steenbergen zijn nu vriendelijke, groene heuvels, door de ramen van de Maisons du Peuple kijken de socialisten vol kommer naar hun failliete streek. Eén op vijf mensen is werkloos, overal zie je huizen te koop staan, nee, de Borinage bevindt zich al lang niet meer aan de top van de technische en industriële ontwikkeling van de wereld.

Daar bevond de Borinage zich wel in de jaren 1820, toen Henri-Joseph De Gorge, eigenaar van verschillende steenkoolmijnen in Hornu, de opdracht gaf een reeks werkplaatsen, kantoren en arbeiderswoningen te bouwen voor de Usines et Mines de Houille du Grand-Hornu. Dat de Borinage toen bloeide, tenminste voor kapitalisten als De Gorge, merk je nu nog. Het hoofdgebouw van Le Grand-Hornu is imposant, de gevel is honderd meter lang en het portaal wordt bekroond met een plechtstatig tympaan.

Het industriële deel bestaat uit een vierkant voorhof en een reusachtig ellipsvormig binnenplein. De stijl is Frans, neoklassiek, de gebouwen zijn dus heel sober: baksteen, hardsteen, arcades, geveldriehoeken, halvemaanvormige ramen. Drie architecten hebben eraan gewerkt, de belangrijkste van hen is Bruno Renard. Hij had in Parijs gestudeerd en daar vrijwel zeker de tekeningen gezien van Claude-Nicolas Ledoux, de man die de beroemde gebouwen ontwierp voor de zoutziederijen van Arc-et-Senans.

Waar je ook kijkt op de binnenplaats zie je eendere rondbogen, de benaming 'industriële abdij' is niet zo gek, dit herinnert inderdaad aan een strenge kloostergang. En om het helemaal ecclesiastisch te maken, werd de hoofdwerkplaats 'de kathedraal' genoemd. De koepels zie je nog op oude foto's, nu staan alleen arduinen, vaag dorische zuilen en bakstenen bogen nog overeind. Tijdens zomernachten brengt het Théâtre du Manège uit het nabijgelegen Franse stadje Maubeuge hier totaalspektakel.

Ik schat dat tweederde van de ellips gerenoveerd is. In één segment woekeren mannetjesvaren, bosrank en braamstruiken. Het kantoor van de mijningenieurs staat eenvoudigweg te rotten; door lege raamopeningen, tussen beschimmeld hout door zie je le château, een wat overdreven naam voor de villa die de familie van De Gorge na diens dood liet bouwen. In de lage, nieuwe constructies achter de villa staan nu de computers van de Provincie Henegouwen. De Gorge overleed in 1832 tijdens een cholera-epidemie. Hij ligt achter de ellips begraven in een familiekelder. Je kunt de trap afdalen en, luisterend naar tikkende waterdruppels, de grafstenen lezen. De Gorge heeft er twee.

Paternalisme

Buiten de wallen liet Henri De Gorge een complete cité ouvrière aanleggen, met lange, rechte straten. De ruim vierhonderd huisjes zijn allemaal even hoog, allemaal hebben ze een tuintje, allemaal hadden ze een broodoven en een waterput. Bijna de helft van De Gorges vijftienhonderd arbeiders kon er wonen. De Gorge bouwde nog een lagere school, een bibliotheek, een badhuis en een danszaal en al is het mogelijk dat hij gehoord had van Robert Owens New Lanark, hij zou afkeurend het hoofd hebben geschud als iemand hem had voorgesteld om, naar het voorbeeld van Owen, zijn arbeiders moreel bij te spijkeren in een Institute for the Formation of Character. Hij was geen moraalridder, hij organiseerde feesten voor zijn personeel.

De Gorge liet twee pleinen met gras en bomen aanleggen. Het ene plein heette tot 1830 de place d'Orange want, zoals bijna alle fabrieksbazen en handelaars in Vlaanderen én Wallonië, was De Gorge uit welbegrepen eigenbelang een groot bewonderaar van koning Willem I en een groot voorstander van de eenheid van België en Nederland. De arbeiderswoningen waren voor hun tijd ruim en na meer dan anderhalve eeuw zijn het nog altijd geen krotten. De Gorge was een typisch paternalistische patroon, maar dat paternalisme werd aanvaard. Zijn arbeiders verdienden even weinig als die in de andere bedrijven van de Borinage, maar De Gorge zorgde voor een spaarkas. Zijn arbeiders woonden goed, maar betaalden huur aan de baas, iets minder dan één dagloon per week; zelfs nu zou dat nog goedkoop zijn.

Tweede Wereldoorlog

Henri-Joseph De Gorge, een boerenzoon uit de omgeving van Valenciennes, trouwt op de 27 thermidor van het jaar VIII (15 augustus 1800) met Eugénie Legrand, een niet onbemiddelde partij. Als kolenboer in Rijssel komt hij geregeld in de Borinage; in 1810 kan hij daar het ontginningsrecht kopen van Le Grand-Hornu, 963 hectare groot. De Gorge is wat we nu zouden noemen een dynamisch manager. Hij zal de kolenproduktie opvoeren van 20.000 ton per jaar tot 100.000 omstreeks 1830 door gebruik te maken van nieuwe Newcomenpompen, een lift om zijn kolen in de aken te hijsen die het kanaal van Bergen naar Condé afvoeren tot op de Schelde en een stoommachine van 175 pk. Hij legt zelfs een spoorlijn met paardetractie aan van Hornu naar het kanaal. De streek maakte vorige eeuw een ontwikkeling mee die we ons nu nog moeilijk kunnen voorstellen. In 1816 had Hornu 816 inwoners, in 1829, drie jaar voor De Gorges dood, al 3000, en in 1900 zouden er ruim 11.000 mensen wonen, dat is meer dan nu. Bij de ingang van het museumpje in het poortgebouw zie je op een lithografie lage locomotiefjes met kolenkarretjes rijden door een korenveld waar de schoven al klaar staan. Dat is omstreeks 1850. Op een foto van omstreeks de eeuwwisseling is de omgeving van Le Grand-Hornu volgestouwd met loodsen, sporen, wissels en schachttorens. De ovale binnenplaats is nu bezaaid met gras. Vroeger heette die la Cour des Métiers, sporen liepen er kriskras door, over ijzeren windassen trokken kabels, er lagen stapels mijnhout, kortom, daar werd gewerkt. De Gorge liet zijn werkplaatsen bouwen omdat hij van niemand afhankelijk wilde zijn. Alles wat nodig was voor de ontginning en het vervoer van steenkool werd in Le Grand-Hornu door eigen arbeiders gemaakt, tot de sierlijke gietijzeren zuiltjes toe die de zoldering stutten van wat vroeger de lampenopslagplaats was en nu het museum is.

Het bedrijf heeft op volle toeren gedraaid tot na de Tweede Wereldoorlog. Vanaf 1950 wordt het duidelijk dat de ondergrond bijna leeggehaald was. Op 31 oktober 1953 gaat de laatste schacht dicht. Voor de ingang rechts kun je nog twee ronde plekken met gele keitjes vinden; in het midden staat telkens een laag paaltje, precies op deze plaats draaiden de liften van schacht zeven en schacht twee; geen honderd meter verder zie je een rij huizen, nog dichterbij is het poortgebouw.

Toen Le Grand-Hornu definitief stillag, werden de huizen verkocht. Er wonen nu bijna uitsluitend Belgen van Italiaanse afkomst in, kinderen en kleinkinderen van de mijnwerkers die na de Tweede Wereldoorlog naar België kwamen om in ijltempo ons zwarte goud te ontginnen; België heeft onder meer dank zij de noeste arbeid van die Italianen na 1945 miraculeus snel een benijdenswaardig welvaartspeil bereikt. De wansmaak van beide landen wordt hier zonder enige remming gecombineerd: vergulde aluminiumramen, garagepoorten, rustieke deuren, kleurige deurknoppen, bedenk iets geks, het is er. Wie hier de oude, uniforme luister wil herstellen, zal veel werk hebben en zal het tegen de bewoners moeten opnemen. De Gorges buurt leeft. Jongelui staan in elkaar verstrengeld op een straathoek, een brommer scheurt langs, een kleine eigenaar is zijn woonkamer aan het verbouwen. Maar ook hier zie ik veel bordjes à vendre, te koop.

Juweel

“Pas dit jaar, 1993, hebben ze Le Grand-Hornu als monument beschermd”, zegt mevrouw Willems van Grand-Hornu Images me. Haar organisatie zorgt voor tentoonstellingen, toneel, het museumpje, kortom, voor alles wat je in het Frans l'animation noemt. “In 1989 heeft de Provincie Henegouwen het overgenomen van een architect uit de gemeente, een echte hornutois, Henri Guchez; die had het gekocht in 1971, voor een half miljoen frank (vijfentwintigduizend gulden) om het te redden en daarna ook te herstellen. Hij heeft enorm veel gedaan maar de onderneming is hem boven het hoofd gegroeid. Hadden de mijneigenaren hun zin gekregen, dan stond u hier nu niet, die wilden de boel zo gauw mogelijk slopen. En kijk nu eens! Siemens heeft hier een kantoor en IBM en een paar Waalse bedrijven die zich bezighouden met technologies de pointe, speerpunttechnologie, lasers en zo. We wilden dat omdat De Gorge in zijn tijd ook voortdurend technische vernieuwingen doorvoerde. En dan zijn wij er natuurlijk. En twee architectenbureaus, Arcades en uiteraard Guchez. In 1995 zou het Museum voor Hedendaagse Kunsten van de Communauté française de Belgique hier moeten komen. Kunsten, meervoud, ja, en niet alleen Belgische kunstenaars.”

Niet bekend

Pal naast Le Grand-Hornu staat een nieuw gebouw, ook in baksteen, ook met arcades, ook min of meer ellipsvormig. Het werd ontworpen door Henri Guchez en er is ruimte in voor honderdtwintig goedkope woningen. Door plassende regen ren ik er heen. Graffiti overal, een kapotte deur. Ik sla een hoek om en onderdruk een kreet. Ik bevind me in een soort verwrongen Grieks theater, geheel opgetrokken uit vlekkerig beton. Ik loop een trap op en stel verbijsterd vast dat alle deuren ingetrapt zijn, je kunt overal binnen, er woont niemand. Badkuipen, wastafels en stopcontacten zijn uit de wand gerukt, binnenmuren aan brokken geslagen. Het oude Grand-Hornu heeft Guchez gered, hij heeft er onmiddellijk een nieuw naast gebouwd, reddeloos van meet af aan.

Weer buiten zie ik dat één, ja, één enkel appartement toch bewoond is, geraniums op het balkon, hagelwitte nylon gordijnen achter het raam, een huiselijke lamp. Een overlevende.

    • Geert van Istendael