Etalages vol spieren; Veertig historiestukken in het Mauritshuis

In de zeventiende eeuw werd niet alleen realistisch geschilderd, zo blijkt weer eens op de tentoonstelling Liefde. list en lijden in het Mauritshuis die bestaat uit ruim veertig Hollandse historiestukken. “De schilder van historiestukken moest niet alleen de Bijbel en de apocriefe boeken hebben gelezen, maar ook op de hoogte zijn van de Griekse en Romeinse mythologie.”

Tentoonstelling Liefde, list en lijden. Historiestukken in het Mauritshuis. T/m 20 febr. Catalogus ƒ 75,00.

Wat zal hij zijn collega's hebben vervloekt. De stoere oorlogsgod Mars, betrapt met Venus op het hoogtepunt van een stevige vrijpartij. Op twee hoofddeksels na poedelnaakt liggen de twee overspeligen in elkaars armen, overgeleverd aan de blikken en spottende opmerkingen van de Olympische toeschouwers. Jupiter is er op zijn wolk en Minerva zit achter hem. De melancholieke Saturnus is er, Diana met haar maansikkel, en natuurlijk de bedrogen echtgenoot Vulcanus, de initatiefnemer van deze publieke vernedering. Vulcanus mag dan wel oud en kreupel zijn, hij is ook verschrikkelijk jaloers en duldt niet dat zijn vrouw in bed duikt met een ander. Van ragfijne bronzen draden heeft hij een net gesmeed en dit boven de sponde van Venus gespannen. Op bevel van Vulcanus trekt Mercurius het net weg. Je hoort ze kakelen, die goden, als onrustige hennen in een kippenren.

De Utrechtse schilder Joachim Wtewael beeldde het verhaal van Venus en Mars, dat zowel door Homerus in de Odyssee als door Ovidius in de Metamorfosen was beschreven, in 1601 uit. Het erotisch tafereel is maniëristisch geschilderd, met veel spierbundels en uitgerekte figuren. Wtewael had hiervoor inspiratie opgedaan tijdens zijn studiereizen naar Frankrijk en Italië, en bleef na zijn terugkeer in de Republiek in deze stijl schilderen, heel anders dus dan we gewend zijn van zijn Hollandse tijdgenoten.

Sober, verstild en statig schilderen Vermeer, Rembrandt en Saenredam mensen, steden, voorwerpen en gebouwen. Lawaai maken alleen een paar boeren en soldaten, hossende kroeglopers en schaatsers 's winters op het ijs. Zulke realistische taferelen zijn typerend voor de Hollandse kunst uit de Gouden Eeuw. Hollandse kunstenaars die zich niet in dit sjabloon lieten onderbrengen, maar - heel 'on-hollands' - maniëristisch of barok schilderden, werden lange tijd afkeurend bekeken. Hun werk werd afgedaan als onrijp en wezensvreemd aan de Hollandse calvinistische moraal en schilderkunstige traditie. Men schoof deze 'enkelingen' badinerend uit het blikveld.

Intellectueel

Op een tentoonstelling van Hollandse meesters in Amerikaans bezit, die eind 1990 in het Mauritshuis in Den Haag te zien was, werd dit beeld sterk genuanceerd. Utrechtse caravaggisten, italianisanten, bamboccianten en maniëristen hebben hier in Nederland, zo bleek, geschilderd dat het een lieve lust was. Nu, drie jaar later, is dit beeld definitief bijgesteld. Onder de titel 'Liefde, list en lijden' stelt het Mauritshuis ruim veertig Hollandse historiestukken uit eigen bezit, een particuliere collectie en andere museale verzamelingen tentoon. De schilderijen zijn niet chronologisch gerangschikt, maar gegroepeerd rond vier thema's: leven en lijden, lust en liefde, list en bedrog, geloof en ongeloof.

Aanleiding voor de expositie is de presentatie vorige week donderdag van een catalogue raisonné die alle circa 180 historiestukken van het Mauritshuis beschrijft en documenteert. Aan het bijna 450 pagina's omvattende boekwerk heeft een staf van kunsthistorici en restaurateurs onder leiding van hoofdconservator Ben Broos ruim tweeëneenhalf jaar intensief gewerkt. Het is de eerste publikatie in een reeks van vijf, die alle genres en alle kunstwerken in het Mauritshuis moet gaan inventariseren en wetenschappelijk verantwoorden.

Naar goed zeventiende-eeuws gebruik is de spits in deze serie afgebeten door het historiestuk, het genre dat destijds met het meeste aanzien was omgeven in de schilderkunst, ver verheven boven het schilderen van portretten, genrestukken, stillevens en landschappen. In deze volgorde zullen ook de toekomstige catalogi verschijnen.

Het historiestuk - 'het schilderen van beelden en historiën' met de mens als hoofdthema - vereiste van de kunstenaar een hoog intellectueel niveau. Hij moest niet alleen de Bijbel en de apocriefe boeken hebben gelezen, maar ook op de hoogte zijn van de Griekse en Romeinse mythologie, van fabels en legendes, geschiedenis en literatuur. De kunstenaar moest technisch bekwaam genoeg zijn om deze vertellingen in een appetijtelijke compositie te verwerken. En bovenal moest hij het talent hebben om zich in de 'affecten' van zijn hoofdpersonen in te leven en deze op de juiste wijze af te beelden.

En zo verkneukelen we ons nu samen met de Griekse goden om het op heterdaad betrappen van Wtewaels Mars en Venus en nemen de moralistische waarschuwing die achter het erotische tafereel schuil gaat voor lief. We gruwen op het moment dat de doornenkroon met bruut geweld op het hoofd van Christus wordt gedrukt in 'De Doornenkroning' van de Utrechtse caravaggist Dirck van Baburen. Onze blik glijdt langs de gezichtsuitdrukkingen van de rondom de hoofdpersonages geschaarde groep mensen, treuzelt bij een gekrulde mondhoek, een plooi van een robijnrode mantel. Alle gemoedsaandoeningen - van euforische blijdschap tot peilloze droefenis - brengen de schilders overtuigend aan ons over. Wat zich ontvouwt is een toneelstuk in olieverf: het hoogst bereikbare ideaal van de historieschilder.

Marktkraam

Dat dit niet voor iedere Hollandse kunstenaar was weggelegd, blijkt ook op de tentoonstelling. Philip van Dijk (1683-1753) bijvoorbeeld, weet maar moeilijk gevoel te leggen in het gezicht van Judith, die door een list Holofernes wist te verschalken en toen zijn hoofd afhakte. We zien de half ontblote jonge vrouw op het moment dat zij haar bloederige karwei heeft afgerond en het hoofd als trofee aan haar kamenierster laat zien. Stijf en koel blikt Judith langs haar dienares, een nutteloze verte in. Aan het topje van haar vingers bungelt Holofernes' hoofd alsof het van papier-maché is. Van vasthouden is hier geen sprake.

De schilder en bekende kunsttheoreticus Carel van Mander bood de niet zo rijk met talent gezegende vakbroeders soelaas. In zijn Schilder-Boeck uit 1604 beschrijft hij een aantal trucs voor een historiestuk. Hij spreekt van de noodzaak van repoussoir-figuren die de blik van de toeschouwer naar het centrale middelpunt - de scopus - leiden. Hij prijst veelheid en afwisseling, en het boven elkaar stapelen van beelden. Als in een marktkraam moet de kunstenaar zijn waren etaleren, zodat de kijker het doek van links naar rechts, van onder tot boven kan lezen.

Juist het mooiste schilderij van de hele tentoonstelling, Arent de Gelders 'Loflied van Simeon', voldoet aan geen van deze regels. De Gelder probeerde zijn publiek niet te boeien met blote borsten, afgehakte ledematen en dartelende goden. Vier figuren, waarvan een op de achtergrond niet meer is dan een donkere schaduw en de anderen maar half zijn te zien, zijn voldoende om de aandacht vast te houden.

De Gelder heeft het moment afgebeeld waarop de hogepriester Simeon in de tempel de Heiland herkent, hem optilt uit de armen van Maria, en God looft. De Gelder concentreerde zich op de drie hoofdfiguren. Maria zien we van opzij in gebed verzonken. Haar zwart grijs gestreepte hoofddoek steekt scherp af tegen haar verlichte gezicht, Simeon kijkt naar boven. Zijn hoofddoek lijkt wel van gouddraad gesponnen, zo steekt het af tegen de donkere achtergrond. In het midden van de voorstelling ligt Christus te slapen tussen de lappen in een steenrood jakje.

Geen ingewikkelde fratsen heeft De Gelder bedacht om de scène spannender te maken. We zien geen interieur, geen flonkerende wierookvaten, geen kaarsen, geen tempeldienaren. Van een 'marktkraamcompositie' is geen sprake. Niets leidt af van het ogenblik van Simeons herkenning. Daarom heeft het schilderij zo'n grote meditatieve kracht.