Elmer Schonberger over muziek, partituur en cd; Lezen met het oor

Elmer Schönberger: Histoire d'Oor. Uitg. Bert Bakker, 73 blz. Prijs ƒ 24,90.

Muziek heeft niks te betekenen en dat kan soms heel vervelend zijn. Bij voorbeeld als je iets van dat niets wilt opschrijven. Hoe noteer je trillende lucht? Het systeem dat daarvoor in de loop de eeuwen is ontstaan, is uiterst gebrekkig, omdat er behalve de toonhoogte, de toonduur en sinds de uitvinding van de metronoom ook het tempo, weinig nauwkeurig is vast te leggen.

Voor uitvoerders blijft er op basis van genoteerde muziek dus veel te raden over. We gebruiken daarvoor overigens liever niet het woord raden maar spreken van 'interpretatie', wat veel netter klinkt. En de noodzaak van een interpretatie maakt dat iedere uitvoering verschilt van de vorige. Sterker nog, je kunt je afvragen of een eenduidige compositie eigenlijk wel bestaat, of een muziekstuk niet een soort gemiddelde is van een groot aantal interpretaties.

Elmer Schönberger vindt van niet en weet dat in Histoire d'Oor, een klein boekje waarin hij tracht door te dringen in de kunst van het luisteren, krachtig te formuleren: “Muziek is taal, de rest is vrije expressie.” Schönberger, muziekprogrammeur van het Holland Festival, een beetje componist en muziekcriticus, kortom beroepsluisteraar, kwam als tien- of elf-jarig knaapje voor het eerst in een muziekantiquariaat en kreeg daar een echte partituur onder ogen. Op dat moment veranderde klinkende muziek voor hem in 'een noteerbare abstractie' - al kan ik me niet voorstellen dat hij dat op die leeftijd ook als zodanig benoemde. Een partituur ging hij beschouwen als 'de plattegrond van het binnenste van de componist.'

Dit geloof in de partituur werd de basis voor zijn latere muziekbeschouwing en is altijd onaangetast gebleven. Vandaar dat Schönberger alleen gecomponeerde en genoteerde muziek beschouwt als 'muziek die er écht toe doet'. Als er al iets is dat eigenlijk niet bestaat of niet zou moeten bestaan, is het volgens Schönberger de interpretatie van muziek: “Er zijn duizend uitvoeringen maar er was één stuk.”

Toch levert het lezen van een partituur geen muziek op, zelfs niet voor hooggekwalificeerde notenlezers als Schönberger. Bladeren in een partituur lijkt op het betasten van een beeldhouwwerk door een blinde. Hij krijgt een indruk van grootte en vorm, voelt iets van de structuur van het materiaal, herkent terugkerende patronen en ontdekt een ritme in de vormgeving. Maar het beeld zelf blijft onzichtbaar. Het tot klinken brengen van al die genoteerde codes is een noodzakelijk kwaad.

Zo komt ook Schönberger uiteindelijk bij de uitvoering van muziek terecht, al kan hij het niet nalaten om zijn taal-analogie te handhaven. Hij schrijft: “Luisteren is lezen-met-het-oor. Met dit luisteren beginnen de moeilijkheden. Lezen-met-het-oor is: zich eerst van het genre (strijkkwartet of lied), van de duur ('dik' of 'dun'), van de auteur vergewissen, precies zoals dat met een nieuw boek gaat. Daarna komt het lezen zelf; dat begint bij het begin, eindigt bij het einde en probeert onderweg zo goed en zo kwaad als het gaat het verhaal van stadium naar stadium te volgen, inclusief alle gedachtensprongen, flashbacks, terzijdes en nevenintriges.”

Reproduceerbaarheid

Histoire d'Oor is een geloofsbelijdenis voor deze intensieve manier van luisteren, die in onze tijd wordt bedreigd van verschillende kanten maar nog het meest door de cd. Dat wil zeggen, door de reproduceerbaarheid van muziek.

Dit is een merkwaardige paradox. Eindelijk is het mogelijk om muziek vast te leggen, en nu blijkt dat haar daarmee haar muzikale karakter wordt ontnomen. “De concertbezoeker gokt op de onherhaalbare ervaring, de platenluisteraar rekent op de herhaalbare ervaring en luistert met een vooruitziend oor: al bij de eerste auditie van zijn aankoop calculeert hij de tweede in.” Door de fixatie ontstaat er een gewenning aan één uitvoering, zó en niet anders moet de compositie klinken.

De uitvoering is heilig verklaard en platenmaatschappijen werken daaraan van harte mee door het perfectioneren van de opnametechniek. Want, zoals Schönberger schrijft, “niets verstoort de illusie van echt en eenmalig, die is gebaseerd op vereeuwiging van het moment, zo grondig als de bij uitstek echte en eenmalige fout.” De muziek wordt tijdens een opname in perfecte partjes uit elkaar gehaald, alle missers worden verwijderd. Pas aan de montagetafel wordt er weer een ondeelbaar geheel van gemaakt.

De technische oplossing voor dit probleem, die Schönberger in een baldadige bui moet hebben verzonnen, doet wat schijnheilig aan: een computerprogramma met random-fouten (een foute inzet, een mislukte hoge noot), een cd met ingebouwd krasprogramma of een zichzelf wissende cd. Daardoor zouden de oren alleen maar meer gespitst raken op de techniek. Er zit niets anders op dan het luisteren zelf ter discussie te stellen. En dat is wat Schönberger in Histoire d'Oor voordurend en op een zeer persoonlijke wijze doet.

Het boekje is een aardige mengeling van essay en autobiografie. Dat de contemporaire muziek voor Schönberger kort na 1875 begint heeft, zegt hij, te maken met het geboortejaar van zijn grootvader. Schönberger vond het als kind al een opwindende gedachte dat zijn opa een leeftijdsgenoot was van Ravel en jaren ouder dan Strawinsky, Bartók en Varèse. Van de buren leende hij een boek over muziekgeschiedenis en de namen Weber en Webern in het register stelden hem voor grote, aantrekkelijke raadsels. Dat het zwakke punt van het Utrechtse Instituut voor muziekwetenschap de opleiding was en het sterke punt de bibliotheek, zal iedereen die de situatie daar heeft gekend kunnen beamen. Deze details maken het betoog levendig en op een aantrekkelijke manier geloofwaardig, want de biografie van Elmer Schönberger is de biografie van zijn oren.