Een meer dan geslaagde poging; De musical in Nederland

Paul van Ewijk: Met zang & dans, de geschiedenis van de musical in Nederland. Uitg. Kok Lyra, 174 blz. Prijs ƒ 49,50.

De eerste professionele musical van Nederlands fabrikaat dateert van mei 1960 en de vrouwelijke hoofdrol werd gespeeld door de aankomende cabaretière Hedy d'Ancona. Ze was toen 22 jaar oud en verscheen, naast Ton van Duinhoven en Piet Römer, in de produktie Alle wegen gaan naar Amsterdam die, in het kader van de Kunstmaand Amsterdam, vijf maal werd opgevoerd in theater Carré. “Als geheel bleek dit een voortreffelijke poging om een specifiek Nederlandse musical te creëren,” schreef criticus Hans Redeker in het Algemeen Handelsblad, al had hij ook veel kritiek. Bijvoorbeeld op Hedy d'Ancona: “Ze was lief, maar haalde het net niet.”

Ik heb de recensie opgezocht naar aanleiding van het vorige week verschenen boek Met zang & dans, de geschiedenis van de musical in Nederland van Paul van Ewijk, die blijkens de achterflap 'met als specialisatie musical' is afgestudeerd aan de universiteit van Amsterdam. Hij is het, die Alle wegen gaan naar Amsterdam uitroept tot de eerste professionele musical van ons land. De schrijfopdracht was verleend aan Mies Bouhuys (tekst) en Walter Kous (muziek), die al enige ervaring hadden opgedaan met muzikale produkties voor toneelgroep Puck en de Amsterdamse Vrouwelijke Studenten Vereniging. “Een vol Carré zag het zich bij de première van gisteravond aan,” schreef Redeker, “aanvankelijk met verrassing, een verrassing die met het vorderen van de avond zelf groeide naar een oprecht enthousiasme, dat zich in een gul en meer dan formeel applaus ontlaadde. Hier was namelijk met de beschikbare middelen en tijd een poging gewaagd, die men bij alle tekorten en beperkingen meer dan geslaagd mag noemen.”

Wat er - vooral in de tweede helft van de jaren vijftig - aan die feestelijke avond voorafging, waren volgens Van Ewijk nog voornamelijk blijspelletjes met een paar ingelaste liedjes. In die traditie waren hier immers in de jaren twintig en dertig al muzikale volkstoneelstukken als Bleeke Bet en De Jantjes vertoond. Pas in 1960 ontstond ook in Nederland de musical als een doorgecomponeerde voorstelling, waarin de liedjes in de handeling zijn geïntegreerd en bij voorkeur zelfs de personages extra contouren geven. De doorbraak van het genre volgde kort daarop. Eerst, in oktober van hetzelfde jaar, met de première van de Nederlandse versie van My fair lady (met Wim Sonneveld als professor Higgins) en enkele jaren later, in oktober 1965, met Heerlijk duurt het langst, de eerste produktie van Annie M.G. Schmidt en Harry Bannink.

En meteen waren de twee uitingsvormen van de Nederlandse musical in die twee produkties al vertegenwoordigd: enerzijds de vertaling van een buitenlands kassucces, anderzijds het oorspronkelijk Nederlandse werk.

In beide sectoren is sindsdien veelvuldig gevallen en weer opgestaan, tot en met het huidige seizoen, waarin Nederlandse versies worden gespeeld van The Phantom of the Opera, Sweeney Todd en A Chorus Line, terwijl in januari de muzikale komedie Vrouw van de zanger van Paul Haenen in première gaat. Een patroon is in dit rijkelijk geïllustreerde geschiedenisboek niet te bespeuren; de ene keer spoedde het publiek zich naar een vertaald succes uit het buitenland, de andere keer gaf het veruit de voorkeur aan een musical van eigen makelij.

Wat dat laatste betreft, schrijft Van Ewijk, is Nederland één van de weinige landen, naast Amerika en Engeland, met een eigen musicaltraditie geworden: “Natuurlijk proberen ook andere landen wel eens zelf een musical te maken, maar nooit gebeurt dat met zo'n regelmaat als in Nederland.” Veel meer dan elders bloeit hier nu eenmaal het cabaret - en dat heeft tot dusver vrijwel altijd als voedingsbodem voor de musical gefungeerd. Bijna iedere musical-auteur (Annie Schmidt, Jos Brink, Robert Long, Seth Gaaikema, Haye van der Heyden, Ivo de Wijs, Guus Vleugel) werkte voordien in het cabaret. En dat verklaart tevens waarom Nederlandse musicals, in tegenstelling tot Amerikaanse en Engelse, altijd worden aangeduid bij de naam van de tekstschrijver. Het is de tekstschrijver die er zijn stempel op zet; pas als hij zijn schrijfsels bij de componist in de brievenbus heeft gedeponeerd, komt er ook muziek bij. In de angelsaksische landen is de volgorde veelal andersom. Wie weet uit zijn hoofd wie voor The Phantom de teksten bij de muziek van Andrew Lloyd schreef?

Het gevolg is ook, merkt Van Ewijk op, dat de musical in Nederland vaker inhoudelijke ambities heeft dan in het buitenland. Maar dat weegt lang niet altijd op tegen de muzikale bloedarmoede die hier vaak heerst. Van heel wat produkties die hij vermeldt, kan ik me nog wel tekstuele elementen herinneren, maar met de beste wil van de wereld geen melodieën meer.

Helaas blijft zijn boek grotendeels steken in een kleurloze, onpersoonlijke opsomming van titels, namen en data, hier en daar afgewisseld met bestofte stijlbloempjes als 'het naadje van de musicalkous' en 'weten waar Abraham de musicalmosterd heeft gehaald'. Maar als naslagwerk zal het zijn diensten ongetwijfeld bewijzen.

Van Ewijks inventarisatie eindigt zo ongeveer bij de komende Broadway-première van Cyrano van Ad en Koen van Dijk, de eerste Nederlandse musical die het belangrijkste musical-podium ter wereld heeft bereikt. Het is, niet toevallig, ook de eerste Nederlandse musical waarvan tekst en muziek gelijktijdig zijn gemaakt. Voor producent Joop van den Ende betreft het een bewuste poging de Amerikanen op hun eigen terrein te evenaren. Volgend seizoen hoopt hij met De drie musketiers, van Seth Gaaikema en Klaas van Dijk, dezelfde weg af te leggen. In beide gevallen komt het er, ten behoeve van internationaal succes, op aan de Nederlandse herkomst te verdoezelen. Niet voor niets werden de onderwerpen, naar het voorbeeld van Les Misérables, ontleend aan de uit Frankrijk afkomstige wereldliteratuur.

Maar wanneer gaat een Nederlandse musical weer eens gewoon over Amsterdam of het feminisme, over Max Havelaar of over Fien de la Mar, over Troelstra of over corrupte notarissen? De musicals over typisch Nederlandse onderwerpen, geworteld in de cabaret-traditie, zijn de afgelopen jaren tamelijk dun gezaaid geweest. Kennelijk vormen de financiële risico's een steeds groter struikelblok. Voor het volgende seizoen is tot dusver slechts één uitzondering aangekondigd: een musical over leven en werken van Willeke Alberti die intussen een startsubsidie ontving van het Fonds voor de Podiumkunsten - onder de eindverantwoordelijkheid van Hedy d'Ancona, minister van WVC.

    • Henk van Gelder