Duitse geest en West-Europa horen geen tegenstelling te zijn; Gesprek met historicus en filosoof Christian graaf von Krockow

“Men moet in Duitsland, Duitser én Europeaan zijn. Als dat niet lukt, wordt het erg,” zegt historicus en filosoof Christian graaf von Krockow, die 10 december de Huizingalezing houdt. Hij meent dat er in Duitsland bij linkse intellectuelen een verontrustende neiging bestaat om het anti-democratische, anti-westerse, zoals dat belichaamd werd door de voormalige DDR, te idealiseren.

“Hoe ik me als 66-jarige Duitser voel? Somber ben ik niet, wel sceptischer dan een paar jaar geleden. Maar als schrijver is Duits natuurlijk mijn taal. Ik zou niet meer naar, zeg, Nederland kunnen emigreren. Bovendien is Duitsland een opwindend en spannend land, dat iemand nooit met rust laat. Al ben ik dan in de pensioengerechtigde leeftijd, ik blijf natuurlijk hier schrijven, ik ga geen boerderij in Ierland kopen en de rest aan Onzelieveheer overlaten”.

Christian graaf von Krockow, in 1927 geboren in het nu Noordpoolse stadje Stolp, telg uit een oud Pruisisch-Pommers geslacht, historicus, filosoof, hoogleraar, schrijver (“veelschrijver”, zegt hij zelf), houdt vrijdag 10 december de 22ste Huizingalezing. Hij bemint zijn land én lijdt eraan en is beroemd-bekend door (Duitse) bestsellers waarin hij het verleden terughaalt én bezweert en zijn landgenoten tot verzoening met hun Poolse en andere buren maant. Zoals in boeken als Die Reise nach Pommern, over zijn geliefde land van herkomst (nu: Pomorze), en Die Stunde der Frauen (over de verdrijving van de Duitsers uit het oosten van hun vroegere rijk). En in zijn 'grote' boeken als Warnung vor Preussen en Die Deutschen in ihrem Jahrhundert (1890-1990).

We hebben afgesproken in Göttingen, het oude universiteitsstadje waar Krockow na de oorlog studeerde (filosofie, geschiedenis, staatsrecht), promoveerde en hoogleraar werd. En waar hij zich in 1969, na professoraten in Saarbrücken en Frankfurt, definitief vestigde als “vrije wetenschapper en publicist”. Zijn huis staat in de chique buitenwijk Nikolausberg, zijn zuster - hoofdpersoon in de Stunde der Frauen - woont even verderop. Krockow brengt me naar een hoge lichte en vrij lege kamer, een kant glas, een boekenwand, een diep bankstel en een lage tafel waar hij zijn voeten graag oplegt.

Waarom bent u van professor publicist geworden? Zocht u een groter gehoor voor wat u te vertellen had over uw Heimat, uw jeugd, de verhouding tussen Duitsers en Polen? Of hadden de 'revolutionaire' veranderingen in het universitaire klimaat er destijds ook iets mee te maken?

“De ambitie was vervuld, niemand kan zeggen dat de druiven zuur zijn als je als beginnende veertiger hoogleraar bent. Maar er was zo'n gevoel van: wat bereik je ermee, met 20 studenten die een seminar volgen, en 200 die college lopen, als het goed gaat. Als je de mensen werkelijk iets unter die Haut wil brengen, moet je niet in abstracte begrippen spreken maar dingen uit een persoonlijke perspectief vertellen om ze emotioneel mee te krijgen. Om dat met een ambiteuze vergelijking duidelijk maken: in Auschwitz zijn zes miljoen joden omgekomen. Daarvan kan niemand zich iets voorstellen, vooral jonge mensen niet, die die tijd niet hebben meegemaakt. Tegen hen kan ik zeggen: lees het dagboek van Anne Frank, van een 14-jarig jong mens. Een boek als Die Reise nach Pommern, waarin ik zo persoonlijk vertel, haalt een oplaag van 250.000 exemplaren, een half miljoen lezers ongeveer.

Om nog een voorbeeld te geven, Die Stunde der Frauen, schetst de ondergang van het Duitse oosten in 1945 aan de hand van de geschiedenis van een vrouw. Dit boek bevat ook bittere verhalen voor de Polen. Het was overigens voor mij een grote voldoening dat die dat goed hebben begrepen en er geen revanchisme in zagen. Zo van: daar komen de akelige Russen, dan de akelige Polen, die moorden, plunderen, branden, enz. Ik heb in dat boek steeds cursieve teksten ingevoegd, een Himmler-rede uit '43, een politiebericht uit de Oekraïne 1942, enz. Zodat steeds duidelijk wordt, dat wat hier gebeurde weliswaar verschrikkelijk was, maar dat het wraak was voor iets dat door Duitsers was begonnen. Zo, aan de hand van een persoonlijke geschiedenis, bereik ik meer dan ik ooit als professor zou hebben kunnen bereiken, terwijl de intentie dezelfde bleef.

U bent in 1947 filosofie en geschiedenis gaan studeren en niet rechten of economie, omdat u toen al dacht: voor zover Christian von Krockow andere Duitsers ooit iets te zeggen heeft, moet hij het in die richting zoeken?

“Ik had aanvankelijk natuurlijk helemaal niets te zeggen maar ik had het gevoel: ik wil weten en begrijpen wat er gebeurd is en waarom het gebeurd is. Met die vraagstelling ben ik mijn studie begonnen. Lesgeven of schrijven, dat was toen ook als idee nog heel ver weg.

Ik begon met filosofie als hoofdvak, maar koos er even later geschiedenis en staatsrecht bij. Zo heb ik mijn eigenlijke academische leraar Helmuth Plessner ontmoet. Die was in '33 als jood uit Duitsland verdreven en had in Nederland asiel gevonden en daar de nazi-tijd overleefd, de laatste jaren ondergedoken bij vrienden in Amsterdam. Hij was in 1939 in Groningen benoemd als hoogleraar en vervulde dat professoraat na 1945 weer, tot hij in 1950 een benoeming in Göttingen aannam. Plessner had door zijn emigratie Holland leren kennen: een burgerlijke samenleving die haar grote tijd in de zeventiende eeuw had en haar karakter en zelfbewustzijn in de vroege Nieuwe Geschiedenis ontwikkelde. Dus in de tijd van humanisme en reformatie enz.

Hij gaf het perspectief van de emigrant, die in Holland van zijn collegestof een boek had gemaakt dat later in Duitsland bekend werd onder de titel Die Verspähtete Nation. Kern daarvan: door de Dertigjarige oorlog (1618-1648) is de burgerij in Duitsland langdurig geruïneerd geraakt. Als gevolg daarvan zijn latere ontwikkelingen er niet door een burgerlijke samenleving maar door een hooggeorganiseerde machtsstaat 'van boven' tot stand gebracht. Dus vooral door Pruisen. De tijd die wezenlijk was voor de klassieke Westeuropese naties voor de vorming van de staat en zijn 'van onderen' komende zelfbewustzijn, is in Duitsland zonder iets vergelijkbaars verstreken. De Duitse natie is pas in de negentiende eeuw ontstaan, en toen in het teken van nationalisme, romantiek en andere dubieuze kenmerken.

Dat begrip Verspähtete Nation is door Plessner ontwikkeld met Nederland als 'frame of reference'. Ik heb hem - hij is oud geworden, ver boven de 90 - de laatste jaren van zijn leven, hij woonde hier uiteindelijk in de buurt in een bejaardenhuis, begeleid en ook wel verzorgd. Toen hij 85 was bood hij me in tranen, hij stamde uit wilhelminische tijden, het tutoyeren aan. Tot kort voor zijn dood, zolang het ging, eens per twee weken, heb ik hem voorgelezen, hij volgde alles wat ik schreef en besprak dat met me.

Plessner heeft me gevormd, hij heeft me als het ware op mijn politieke en geestelijke weg gebracht. Hij had overigens ook Nederlandse leerlingen die hier een tijd kwamen studeren. Jan Glastra van Loon was er een en de Groningse professor Lolle Nauta. Plessner was niet iemand die zijn eigen school vormde. Hij moedigde mensen aan om zelf te denken en hun eigen weg te vinden, ik ben bij hem gepromoveerd.

Waarop?

Mijn proefschrift is in '58 als boek verschenen en in 1990 opnieuw uitgegeven. Het heet Die Entscheidung, eine Untersuchung über Ernst Jünger, Carl Schmitt und Martin Heidegger. Dat is een kritisch onderzoek naar wat er, met de tijd van de Republiek van Weimar (1919-1933) als zwaartepunt, geschreven is op het gebied van filosofie, staatsrecht, op hoog intellectueel niveau, en wat mocht gelden als 'tegenrevolutie van rechts'. Jünger was in de jaren twintig een uitgesproken geestelijk leider van het Duits-nationalisme. Hij onderscheidde zich van anderen doordat hij moediger was, meer karakter had. De nazi's hadden hem een carrière aangeboden, met een lidmaatschap van de Rijksdag, maar dat heeft hij afgewezen, zij waren hem te plebeïsch.

Waarom hebt u in 1981 'Warnung vor Preussen' geschreven. U waarschuwt daarin voor de Duitsers, voor Duitsland. Wat dreef u?

Destijds kwam iets terug dat lang weggeweest was: een Pruisen-golf. In dat jaar was in Berlijn de grote Pruisen-tentoonstelling, en zoals het vaak gaat als iets dertig jaar bijna doodgezwegen is, kantelt het dan plotseling naar de andere kant. Plotseling was als alternatief voor nazi-Duitsland 'het goede oude Pruisen' terug. Toen heb ik gezegd: maar zo was het niet. Men moet het klassieke Pruisen van de achttiende eeuw onderscheiden van het latere. Mijn boek begint eigenlijk met Bismarcks staatsvorming, die uitgaat van Pruisen. Pruisen ging onder, maar liet zijn instituties na aan de nieuwe Duitse staat, en tot onheil van die staat.

Pruisen af, zijn expansionistische ambities bevredigd, en Duitsland tegelijkertijd in 1871 als onzekere, onvervulde en 'verlate' natie ontstaan? Had uw 'Warnung vor Preussen' ook iets met de Pruisen-revival van de jaren zeventig in de DDR te maken?

Die bewegingen schommelden aan weerskanten van de Duits-Duitse grens toen omhoog, 'aan elkaar' omhoog zelfs. Je hoefde destijds in West-Duitsland niet over Pruisen te praten zolang het in de DDR niet, of alleen negatief, gebeurde. Toen dat in de DDR anders werd, kwam hier het gevoel op: wij mogen Pruisen niet aan de DDR overlaten. Dat boek had natuurlijk ook iets met mijn eigen biografie te maken. Mijn overgrootvader was bijvoorbeeld in Pruisen minister van binnenlandse zaken onder Bismarck. Tot het allerlaatst, bij ons thuis in Pommeren, in die wereld, voelde men zich minder Duitser, laat staan nazi, dan Pruis.

Een anekdote ter illustratie. Oostpommeren, zomer 1944, na de 20ste juni, na de mislukte Stauffenberg-aanslag op Hitler. De situatie was kritiek want die aanslag werd gezien als een adellijke Pruisische samenzwering. Al die Pruisische namen - Kleist, Moltke, Schwerin, Yorck - duiken daar op in verband met wat eigenlijk de laatste eervolle dag in de Pruisische geschiedenis was. Wij hadden thuis een trouwpartij, het laatste grote feest voor de ondergang. Ik had een knorrige oud-oom, die in onze familiekring de senior was, we zitten rond een feestmaal aan tafel, hij tikt aan zijn glas, staat op en zegt: “Volgens de goede gewoonte van onze voorvaders (Altervätersitte) drinken we een glas op onze hoogste krijgsvorst, zijne majesteit de koning van Pruisen, hij leve hoog, hoog, hoog! Dat die koning er niet meer was had men in deze Oostpommerse kringen nog niet geaccepteerd.

Toen volgde een mooie scène: onder de gasten waren een paar nazi-officieren die deze oud-oom met opengevallen mond aanstaarden. Hij zag hun verblufte gezichten, dacht even na, en zei toen halfluid en zonder op te staan: “Nu ja, en Herr Hitler ook.”

U was in de oorlog soldaat?

Ja, ik ging naar een internaat in Swinemünde, aan de Stettiner Bocht, ten zuiden van Peenemünde, daar was ik als 15-jarige marine-assistent. Herfst '44, ik was net 17, ben ik opgeroepen als soldaat, geheel volgens de traditie, dat bestond toen nog, bij de cavalarie in mijn geboortestad Stolp. In januari 1945, toen de Russische doorbraak Oost-Duitsland binnendrong, werden we ingezet. In 1939 was er die beroemde Poolse cavalerie-aanval met paarden op Sovjet-tanks geweest. Nu trokken wij als 17-jarigen te paard op tegen een tankbrigade die met Siberische scherpschutters versterkt was. Het gevecht ging om een stadje in Pommeren, in het vrije veld zouden ze binnen een half uur over ons heen gerold zijn. Maar nu duurde het 14 dagen tot er van die 17-jarigen nog een kwart over was. Die paarden hebben ons toen het leven gered. Die waren waardevol en daarmee zijn we langzaam, tussen de vluchtelingentreks door, zover mogelijk naar het noordwesten gereden, tot in het Deense Aalborg. Daar kwam uiteindelijk de capitulatie.

Bent u pessimistisch over Duitsland en de Duitsers, over hun labiliteit, hun onzekerheid in hun herstelde Mittellage in Europa? Hoe kan dat land een leidende rol in Europa spelen, wat het vermoedelijk zal moeten met zijn 80 miljoen inwoners en zijn economische potentie?

Men moet, historisch gezien, in Duitsland, dat bijna altijd een regionaal verbondssysteem was, Duitser én Europeaan zijn. Als dat niet lukt, wordt het erg. Ik ben, hoewel persoonlijk met hem bevriend, een scherpe criticus van Günter Grass en anderen die met de Duitse eenwording een nieuwe catastrofe onafwendbaar achtten. Bonn is niet Weimar, dat staat voor mij vast. Maar ik wil iets zeggen over de Europese integratie en de democratie. In dit land is het antidemocratische ook altijd anti-Westeuropees geweest. Symbool van de erfvijand was 1789, het Frankrijk van de revolutie. De Duitse ideeën van 1914 hadden destijds ook als rechtvaardiging: de Westelijke democratieën vechten tegen ons, dus moet de goede Duitser, dat gold ook voor de vroege Thomas Mann, zijn Obrigkeitsstaat steunen. Anti-Westeuropees was identiek met antidemocratisch; Duitse geest en West-Europa als tegenstelling. Adenauer was in veel opzichten een cynicus, maar de westelijke integratie als verzekering van de Duitsers tegen zichzelf was voor hem werkelijk de absolute prioriteit. De band, de verzoening met de Franse erfvijand, heeft hij als strategische noodzaak volkomen juist onderkend. Verontrustend is dat tegenwoordig allerlei intellectuelen van wie ik dacht: dat zijn toch goede democraten, en die zichzelf ook goede linkse democraten voelen, plotseling een soort culturele nostalgie jegens de ondergegane DDR ontwikkelen. Dat geldt voor Grass, voor Gauss, voor veel anderen die misschien minder bekend zijn, voor mensen in het oosten als Stefan Heym natuurlijk. Daar is dat gemeenschapsgevoel weer, de idealisering van de Nischen-samenleving in de DDR en de vergoelijking van onvrijheid met de opmerking: 'daar hebben we toen toch allemaal samen boeken gelezen en nu is er nog slechts Coca Cola'. Het Westen is civilisatie - nu is dat Amerikaans, vroeger was het Frans of Engels - maar wij hebben Duitse Kultur, die niet geëgaliseerd mag worden door het bederf van de Westelijke wereld.

Hier komt plotseling de geest van een anti-Westerse Duitse Sonderweg weer om de hoek kijken. Waarbij Westers heel diffuus is, van Frankrijk tot Amerika, uw Holland ziet men in die kring natuurlijk niet zo, maar er zit oude afkeer van die Westelijke liberale wereld in. En als wordt gezegd: het liberalisme heeft nu van het communisme gewonnen, zegt men: des te erger voor het liberalisme. In deze zin is er een stemming in dit land die op een unheimliche manier naar eergisteren terug lijkt te gaan.

Maar die stemming is toch niet in brede kring aan te treffen, mensen als Grass worden toch vrij algemeen uitgelachen, ook in de SPD?

Dat laatste sowieso. Maar wat mij verontrust is dat hier nu dom rechts à la Schönhuber (de chef van de Republikaner) en dergelijke linksigheid elkaar ontmoeten, desnoods ongewild. Dat wil zeggen: er is het risico dat men elkaar uit die twee hoeken, het gaat vandaag natuurlijk om minderheden, als het ware omhoogwrijft. In deze twee hoeken is het hysterische, het neurotische, hoe verschillend geladen ook, een gemeenschappelijk kenmerk. Niettemin: ik geloof in een open toekomst, en Bonn is niet Weimar. Alleen leven we in een land waar men zich zelfgenoegzaam optimisme na al onze ervaringen niet kan permitteren, een portie scepsis hoort er in dit land wel bij.''

Traag op de terugweg naar Bonn, dikke mist over de weg, cassette-recorder aan, laat ik de zangeres Barbara haar toepasselijke chanson uit 1967 een paar keer zingen, dat destijds in Frankrijk nog niet iedereen kon bekoren: (..) Et tant pis pour ceux qui s'étonnent/ Et que les autres me pardonnent/ Mais les enfants ce sont les mêmes/ A Paris et à Göttingen// O faites que jamais ne revienne/ Le temps du sang et de la haine/ Car il y a des gens que j'aime/ A Göttingen, à Göttingen. (..)

De publikaties van Christian von Krockow bestrijken een breed terrein. Zij reiken van sport tot filosofie, van geschiedenis tot politiek, van Mexico tot China. En, natuurlijk, van Duitsland en Pruisen tot zijn beminde Oostpommeren, nu Pomorze - het oude 'Land aan de zee', tussen Szczezin (Stettin) en Gdansk (Danzig). Zijn boeken zijn doorgaans uitgegeven door de Deutsche Verlags-Anstalt/Stuttgart (*DVA) of Rowohlt/Berlijn (**): Die Entscheidung - Eine Untersuchung über Ernst Jünger, Carl Schmitt und Martin Heidegger (1958);

Soziologie des Friedens (1962);

Nationalismus als deutsches Problem (1970);

Soziale Kontrolle und autoritäre Gewalt (1971);

Sport und Industriegesellschaft (1972);

Sport - Eine Soziologie und Philosofie des Leistungsprinzips (1974);

Mexico - Wirtschaft, Politik, Gesellschaft, Kultur (1974);

Reform als politisches Prinzip (1976);

Herrschaft und Freiheit - Politische Grundpositionen der bürgerlichen Gesellschaft (1977);

China - Das neue Selbstbewusstsein (1978, met anderen);

Sport, Gesellschaft, Politik - Eine Einführung (1981)

Scheiterhaufen - Grösse und Elend des deutschen Geistes (**1983);

Gewalt für den Frieden? Die politische Kultur des Konflikts (1983);

Der Wandel der Zeiten. Wegweiser durch das moderne Leben (*1984);

Die Reise nach Pommern - Bericht aus einem verschwiegenen Land (*1985);

Friedrich der Grosse (1986);

Parteien in der Krise (1986, met Peter Löscher);

Die Reise nach Pommern in Bildern (*1987);

Politik und menschliche Natur. Dämme gegen die Selbstzerstörung (*1987);

Die Stunde der Frauen (*1988);

Heimat - Erfahrungen mit einem deutschen Thema (*1989);

Die Deutschen in ihrem Jahrhundert. 1890-1990 (**1990);

Bismarck. Vom Verrat der Denkmäler (1991, met Dirk Reinartz);

Fahrten durch die Mark Brandenburg (*1991);

Preussen. Eine Bilanz (*1992);

Die Deutschen vor ihrer Zukunft (**1993). Die Entscheidung - Eine Untersuchung über Ernst Jünger, Carl Schmitt und Martin Heidegger (1958);

Soziologie des Friedens (1962);

Nationalismus als deutsches Problem (1970);

Soziale Kontrolle und autoritäre Gewalt (1971);

Sport und Industriegesellschaft (1972);

Sport - Eine Soziologie und Philosofie des Leistungsprinzips (1974);

Mexico - Wirtschaft, Politik, Gesellschaft, Kultur (1974);

Reform als politisches Prinzip (1976);

Herrschaft und Freiheit - Politische Grundpositionen der bürgerlichen Gesellschaft (1977);

China - Das neue Selbstbewusstsein (1978, met anderen);

Sport, Gesellschaft, Politik - Eine Einführung (1981)

Scheiterhaufen - Grösse und Elend des deutschen Geistes (**1983);

Gewalt für den Frieden? Die politische Kultur des Konflikts (1983);

Der Wandel der Zeiten. Wegweiser durch das moderne Leben (*1984);

Die Reise nach Pommern - Bericht aus einem verschwiegenen Land (*1985);

Friedrich der Grosse (1986);

Parteien in der Krise (1986, met Peter Löscher);

Die Reise nach Pommern in Bildern (*1987);

Politik und menschliche Natur. Dämme gegen die Selbstzerstörung (*1987);

Die Stunde der Frauen (*1988);

Heimat - Erfahrungen mit einem deutschen Thema (*1989);

Die Deutschen in ihrem Jahrhundert. 1890-1990 (**1990);

Bismarck. Vom Verrat der Denkmäler (1991, met Dirk Reinartz);

Fahrten durch die Mark Brandenburg (*1991);

Preussen. Eine Bilanz (*1992);

Die Deutschen vor ihrer Zukunft (**1993).

    • J.M. Bik