Dubbelop

Ik ben een spin, mijn naam is Oza,

Mijn pad dat gaat niet over rozen,

Want als de mensen al dieren beminnen,

Dan heeft dat zelden betrekking op spinnen.

Men rekent ons tot de exoten,

Dat komt door 't grote aantal poten;

Die poten zijn behaard en lang

En daarvoor zijn de mensen bang.

Ook hebben spinnen veel meer ogen.

Waarom zouden zij niet mogen?

Ik bijvoorbeeld heb er vier;

Toch ben ik niemands troeteldier.

Nee, niemand heeft mij ooit gemogen,

Met mijn acht poten en vier ogen;

Ik heb mijn uiterlijk niet mee,

O, waarom tel ik niet voor twee?

Niet over rozen gaat mijn pad,

'k Schrei alle vier mijn ogen nat.

Nee, over rozen gaat het niet:

In tranen eindig ik mijn lied.

Er is van alles over dit gedicht te zeggen, maar het voornaamste in dit verband is dat het gaat over de verwantschap tussen mens en dier: een verre tak, een oud verbond, daarmee uitdrukking gevend aan iets dat ver is te zoeken in de ontelbare dierfabels die onze cultuur - en vele andere - over de eeuwen hebben voortgebracht. In al die tijd werden de dieren gezien als een weerspiegeling van de menselijke samenleving, van een onzichtbare of hogere orde, van een of ander plan, als instantie waarheen vooral de luiaard werd opgedragen te gaan om wijs te worden; de dieren waren kortom een soort leermiddelen, requisieten in een toneelstuk, hulpmiddelen bij het onderwijs, boodschappers en ook bron van vermaak - maar niet een tak van de familie, ver of nabij, niet wezens met wie we een relatie hebben krachtens een verbond, gevoeld als oud maar in feite recent.

    • Rudy Kousbroek