De mens is een kinderachtige club; Jan Tetteroo's verdediging van de betrokkenheid

Jan Tetteroo: De laatste Nederlandse man. Uitg. Veen, 141 blz. Prijs ƒ 24,90

Een voetbalwedstrijd in 1935, Nederland-Duitsland. Wat zou die ons kunnen schelen? Hij is voorbij. De voetballers van toen zijn voorbij, het publiek van toen is voorbij, het gejuich is onachterhaalbaar en binnenkort wordt misschien zelfs wel het Olympisch Stadion gesloopt waar deze match heeft plaatsgevonden. Toch is de hoofdpersoon uit Jan Tetteroo's roman er op het krankzinnige af door geobsedeerd. Hij wil er alles van weten. Geen detail dat hem niet interesseert. En, met hem, gaat de lezer alles willen weten, zodat er instemmend geknikt kan worden als hij schrijft: “Ik heb die tijd niet meegemaakt. Ik ken die spelers helemaal niet. De toeschouwers zijn haast allemaal dood. En toch gaat dit doelpunt mij door merg en been.”

Jan Tetteroo (1961) is een eigenaardige schrijver. In zijn eerste boek No flash voerde hij een personage op dat bezeten was van Rembrandts Nachtwacht, nu, in De laatste Nederlandse man, wil een kortaangebonden man in 1992 alles te weten komen van de interland op 17 februari 1935 en van de verdwijning van de achttienjarige Johanna de Nigtere op 18 november 1939. Die twee gebeurtenissen hebben van zichzelf niets met elkaar te maken, ze worden alleen verbonden door de hardnekkigheid waarmee de hoofdpersoon wil achterhalen wat er gebeurd is: “Johanna de Nigtere is verdwenen en ik ben vastbesloten haar terug te vinden.” Vastbesloten. Dat is een woord om serieus te nemen bij Tetteroo.

Een romanschrijver kan iets te weten willen komen door zich in een situatie of in een personage in te leven: stel ik ben Johanna de Nigtere, achttien jaar. Zo doordenkend kan hij de laatste dag van Johanna meebeleven, hij kan haar ontvoerder in de ogen kijken, hij kan haar laatste gedachten kennen. Zo'n romanschrijver is Tetteroo niet, hij wil wel alles weten maar tegelijkertijd wil hij eigenlijk niet echt fantaseren. Hij wil zich inleven en zich toch ook maximaal aan de waarheid houden. Althans, dat wil zijn eveneens Tetteroo geheten personage, dat snauwt: “Ik zit niks te verzinnen. Het zijn feiten.”

Tetteroo's roman is de beschrijving van een zoektocht. Zijn alter ego vertelt hoe hij tot gek wordens toe heeft door gevraagd, in archieven gezeten, bij vreemde huizen aangebeld, uiteindelijk heeft hij zelfs de stokoude moeder van Johanna opgezocht - het zou me niets verbazen als het allemaal echt waar was. Maar misschien is dat geraffineerde misleiding.

Wat is het geheim van de hartstocht waarmee de hoofdpersoon het verleden probeert te reanimeren? Vindt hij het onverdraaglijk dat het on-herinnerd verdwijnt? Dat zou goed kunnen. “Ik zie het verleden om me heen wandelen als een geheimzinnig kadaver dat af en toe zo'n beetje naar ons grinnikt,” bekent de verteller, die alles op alles zet om zijn emoties in bedwang te hebben. Daarom schrijft hij meestal nurks en kortaf en impertinent. Hij laat zich niets op de mouw spelden. Zijn overgevoeligheid staat hem niet toe in het wilde weg ontroerd te raken, dat moet zeer goed worden voorbereid en ingekleed. Deze Tetteroo lijkt daarin sterk op Armando, die al even geobsedeerd en kort van zin is.

De laatste Nederlandse man valt in twee delen uiteen: het eerste deel beschrijft de speurtocht naar Johanna de Nigtere, het tweede die naar de voetbalwedstrijd. Het eerste deel is beklemmend; een spoorloze verdwijning is een van de griezeligste dingen die er zijn. De verteller schrikt er niet voor terug zichzelf scherp te ondervragen en zich te oefenen in inleving in de dader. Die dader komt af en toe ineens in de tekst te voorschijn, bij voorbeeld als er “een blonde juffrouw in een zeer kort en extra hoog opgeschurkt rokje, haar fraaie dijen aan mij komt presenteren. (-) Aan mij. Ik kan dit niet anders zien.(-) Dit moet voor mij bedoeld zijn. Ik vat dit heel persoonlijk op. (-) Daar heb je er weer zo eentje die zo nodig iets moet uitlokken.”

Het tweede deel is lichter, al is het zeker ook tragisch. De verteller probeert daarin alles te voelen wat er te voelen viel voor en tijdens de wedstrijd van het Nederlandse elftal tegen Duitsland in 1935. Nederland is daar uiteindelijk het slachtoffer. Overweldigd ligt Nederland op zijn rug, bloedend en verslagen. Net als Johanna, al wordt zo'n verband niet expliciet gelegd.

De beschrijving van de wedstrijd en van de reacties van het publiek is meeslepend en geestig. En passant wordt er veel moois en onthoudbaars over de mens en het voetbal te berde gebracht: “De mens is een kinderachtige club”; “Voetbal is emotie in zijn helderste en domste vorm”; “Ik ben geneigd te denken dat het voetbal de mate van blijheid in de wereld heeft vergroot.” Al te euforisch moeten we het echter ook niet zien: “Heb ik eigenlijk wel eens goed gekeken naar de tronie van de gemiddelde voetbalsupporter?”

Aanstekelijk is de tirade tegen iedereen die vindt dat het Olympisch Stadion afgebroken moet worden. De opgewonden voetballiefhebber kan het absoluut niet verkroppen dat het door het stadion vertegenwoordigde verleden zo maar zou verdwijnen: “Willen wij dat over een paar jaar een Amsterdamse klootzak zijn pitbull zit te aaien in een lelijke leunstoel op de plaats waar Bep Bakhuys zijn fabuleuze vallende kopbal in het Belgische doel werkte? Is dat wat wij willen? (-) Spreekt daaruit respect voor de dribbels van Coen Moulijn en Faas Wilkes?”

Uit deze roman spreekt in de eerste plaats een reusachtige en innemende hekel aan onverschilligheid. Onverschilligheid doet alles verdwijnen, maakt alles onbelangrijk. Daartegen stelt Tetteroo's bezetene zich te weer. Veelzeggend is in dat verband zijn uitval na het beslissende Duitse doelpunt, dat, hoewel buitenspel, goedgekeurd wordt. Hij schrijft: “En we gaan niet roepen het kan me niet schelen. Dat wordt veel te vaak geroepen.” Daar heeft hij groot gelijk in. Hij verdedigt de betrokkenheid en de aandacht. Die kunnen wel verdediging gebruiken, zeker als dat zo mooi en sterk gebeurt als hier.

UIT: JAN TETTEROO, DE LAATSTE NEDERLANDSE MAN

Als de armen strak de lucht in wijzen, maakt de rest van het lichaam op en neer gaande bewegingen. Dit gebeurt vanuit de knieën. In het stadion is niet geoefend. Het gaat allemaal vanzelf. Juichen in 1935. Keurige mannetjes met snor, wandelstok en bolhoed, die een rondje dansen om hun wandelstok, met hun bolhoed in de lucht, op de sintelbaan. Honderden sigaren en zwarte hoeden wuiven ons toe vanaf de eretribune. Juichen in zwart-wit.

Ik ben geneigd te denken dat het voetbal de mate van blijdschap in de wereld heeft vergroot. Het juichen voor een doelpunt is een culturele verrijking van onschatbare waarde. Het is niet te vatten. We ondergaan het hoogste kortstondige geluk omdat een lapje leer in een netje valt. Ik keur dit goed. Mensen die niet juichen wijs ik af. Wie eenmaal gejuicht heeft voor een doelpunt, kan zeggen: ik heb geleefd.