De flirtgrootmeester van de Starnbergersee; Martin Walsers zwartgallige kijk op de mensheid

Martin Walser: Ohne einander. Uitg. Suhrkamp-Verlag, 226 blz. Prijs ƒ 53,20

De literaire carrière van Martin Walser begon zo'n veertig jaar geleden met een anekdote en een afgang. In 1951 kwamen de jonge Duitse schrijvers van de Gruppe 47 bij elkaar. De Süddeutsche Rundfunk legde de bijeenkomst, waarop men elkaar nieuw werk voorlas, vast. De 24-jarige hoorspelregisseur Walser zat in de opnamewagen. “Hoe loopt het?” vroeg Hans Werner Richter, de leider van de Gruppe 47. “Technisch perfect”, zei Walser, “maar wat daar voorgelezen wordt, dat kan ik beter.” Twee jaar later mocht Walser komen laten horen hoeveel beter. Zijn korte verhalen waren alleen zo sterk nageaapt van Kafka, op wie Walser in 1952 was gepromoveerd, dat niemand in de schrijversgroep een goed woord over had voor het literaire wonder uit de radiowagen.

Dat veranderde in 1955, toen Walser de prijs van de Gruppe 47 kreeg voor zijn korte verhaal Templones Ende, in datzelfde jaar opgenomen in de verhalenbundel Ein Flugzeug über dem Haus. Hoewel ook in dat verhaal (en trouwens in de hele bundel) Kafka nu en dan uit de bladspiegel kijkt heeft Walser toch een eigen toon gevonden, een eigen wereld om te beschrijven.

Opwekkend is die wereld niet. Walser, in 1927 in Wasserburg aan het Bodenmeer geboren als zoon van een Gasthofbezitter en kolenboer, is geen mensenvriend. Zijn wereld wordt bevolkt door mislukkelingen, weerloze stumpers en gehaaide kleinburgers, die niet op hun mondje zijn gevallen. Kwebbelend gaan zij door het leven, potsierlijk soms, een enkele keer meelijwekkend, maar vaak irritant en vermoeiend. Een hoogtepunt bereikt Walser wat dit betreft met zijn trilogie Halbzeit, Das Einhorn en Der Sturz. Hierin stort Walser zonder enig erbarmen een volumineus alinea-arm proza uit over zijn lezers.

Toch had Walser over succes meestal niet te klagen. De kritiek was vaak niet mals, maar bij de lezers vielen ook Walsers moeizaamste boeken in goede aarde. Onmiskenbaar was dan ook zijn talent om een pakkende zin te schrijven, de lezer te interesseren voor de eigenaardigheden van de ellendige kleinburgers die zijn boeken bevolken, een verhaal van falen en treurnis te vertellen, waarmee velen zich konden identificeren. Het grote, onbetwiste meesterwerk kwam alleen nooit uit zijn vingers. Steeds intelligente, begaafde, mooi geschreven, sarcastische of ironische romans, die altijd iets bleven missen: er was steeds zo veel Walser in alle boeken dat andere karakters nooit uit de verf kwamen. Walser was altijd sterker als psychologische kenner van karaktertrekken dan van individuele personen.

Martin Walsers nieuwste roman Ohne einander is gesitueerd in de vertrouwde beperktheid van het leven in Zuid-Duitsland, dat ook nog altijd het decor is waartegen zich het bestaan van de auteur zelf afspeelt. Het is zeker een onderhoudend boek, kort voor een Walser, weer gekenmerkt door de inventieve stijl, de meeslepende verhaaltrant die een deel van Walsers oeuvre zo aantrekkelijk maken. Het is verdeeld in drie segmenten: Ellen, Sylvi en Sylvio, de moeder, de dochter en de vader in een in Ambach aan de Starnberger See ten zuiden van München levende familie, die diep is aangetast door een al ver voortgeschreden 'zielsinfarct'. Deze driedeling houdt niet in dat hetzelfde verhaal door drie verschillende personen wordt verteld, zoals in Louis Paul Boons prachtige novelle Menuet. Een alwetende auteur zweeft boven de drie hoofdstukken, waarin ook van alles gebeurt waarvan het personage dat zijn naam aan dit romangedeelte heeft gegeven geen weet heeft.

Ellen werkt in München voor een weekblad dat Spiegel noch Stern is, maar daar tussenin hangt, en dat geredigeerd wordt volgens het motto van de schatrijke eigenaar: 'er bestaat geen waarheid, er zijn alleen maar versies'. Walser, die vindt dat hij een boomgaard vol appels te schillen heeft met de pers, doopt in het begin van de roman zijn pen meteen diep in de satire. De valsheid, onoprechtheid, onbenulligheid van het journalistieke milieu wordt breed uitgemeten. De redactievergadering van het blad DAS wordt uitsluitend bijgewoond door stuitende individuen, onder wie vooral de boosaardige 'uit Polen afkomstige' literaire criticus 'Erlkönig' opvalt. Hij verpersoonlijkt als geen ander de kernfilosifie van het blad : afbreken en kapot maken. (Men moet wel uit Alaska komen om in deze lawaaiige kwaadaardige Erlkönig niet Reich-Ranicky, Duitslands beroemdste literaire criticus, te herkennen.)

Ellen heeft een minnaar, een rijke industrieel, die zij er niet van af weet te houden zijn liefde voor dochter Sylvi te verklaren. Dat doet deze 'flirtgrootmeester', staande in het koude water van de Starnberger See, waarop Sylvi wil gaan oefenen voor haar kampioenschap windsurfen. Het wordt de man noodlottig. Na een gehaaste, waterige coïtus gaat hij ook met een plank het woelige meer op en verdrinkt jammerlijk.

Echtgenoot Sylvio Kern, een schrijver van populaire kitsch-romans met een 'drinking problem', is door dit alles heen bezig met een cliché-roman, die vaak verrassend veel lijkt op zijn eigen beroerde werkelijkheid. Er is sprake van een ontrouwe vrouw, wier minnaar het aanlegt met haar dochter. Sylvio droomt ervan deze minnaar in zijn roman zijn verdiende loon toe te dienen en hem te laten verongelukkken, maar deze 'oplossing' is hem toch te kitscherig. Tenslotte laat hij op een blad vol losse invallen de twee woorden staan die kern en horizon tegelijk zijn van alle personages, met wie de lezer in Walsers roman is geconfronteerd : 'ohne einander', niet met elkaar.

Het verhaal is potsierlijk, de protagonisten zijn karikaturen, de randfiguren (zoals de op de achtergrond steeds trompet blazende bewonderaar van Sylvi) belachelijk. De mislukking staat iedereen ook weer in neonletters op het voorhoofd gemonteerd: Ellen met haar schrijversblok, haar baantje bij het hoerige weekblad en haar huilbuien; Sylvi met haar mislukte muzikale carrière en haar non-existente liefdesleven; zoon Alf met zijn afgebroken studie aan het conservatorium en zijn lethargische gehang in een schommelstoel; Sylvio met zijn onbenullige romans, zijn ziekelijke behoefte aan adhesie en zijn alcoholisme. Alleen de 65-jarige minnaar is geslaagd in de maatschappij, maar hij overleeft de roman dan ook niet en zijn einde is smadelijk.

Ondanks dit alles valt er iets te genieten in Walsers roman, die in een groot deel van de Duitse pers overigens tot meesterwerk is uitgeroepen. Voorbeelden van de beroemde 'Walser-zinnen' vindt men op elke bladzij. Zo schrijft hij over Sylvi, die alleen schoonheid verdraagt : 'zoals banken geld wassen waste Sylvi de werkelijkheid'. Of: 'een alcoholicus is een enorme verheviging van wat een man toch al is'. En: 'alleen een man kan op het idee komen dat men hem liefheeft om hemzelf'. Deze laatste twee voorbeelden geven ook weer hoezeer Walser mannen en de mannelijke wereld van competitie en concurrentie verafschuwt. In de twee seks-scènes van het boek gedragen de mannen zich dan ook als gretige ego-trippers. De vrouwen laten hen begaan, maar voelen eigenlijk alleen maar koude afschuw.

Ohne einander is in Walsers oeuvre zeker een van de zeer leesbare, toegankelijke en onderhoudende boeken. Als satire op de vaak zelfgenoegzame Duitse succesmaatschappij is het amusant, als humoristische kritiek op de moderne mens treft het meer dan eens doel. Maar overtuigende levende karakters ontbreken. Het is weer allemaal Martin Walser wat de klok slaat. Gelukkig kan hij meeslepend schrijven, heeft hij gevoel voor humor en heeft hij een scherp oog voor menselijke bespottelijkheden. Dat redt ook weer Ohne einander.