De dolle mullahs

Een fatwa is het nog niet, maar ik ben wel twee keer per brief met de dood bedreigd; ook heeft een briefschrijver mij eens laten weten dat er bij hem thuis dagelijks wordt gebeden dat ik spoedig mag sterven (die laten om zo te zeggen het vuile werk aan Onze Lieve Heer over); over de meer banale hate-mail zwijg ik maar. Het boek waarmee ik mij dat op mijn hals heb gehaald is Het Oost-Indisch Kampsyndroom.*

Paradoxaal genoeg zijn het niet mensen die het boek gelezen hebben die zo reageren, maar zij die weigeren dat te doen. Al kort na het verschijnen stonden er in De Telegraaf en De Haagsche Courant emotionele reacties van het type: 'ik zal dat afschuwelijke boek niet kopen', vergezeld van invectieven aan mijn adres. De algemene teneur is dat ik een vijand van de Indische gemeenschap ben, omdat ik het leed van die gemeenschap wil ontkennen.

Deze inzichten berusten niet op het lezen van mijn boek, het wordt eenvoudig als gegeven beschouwd, bekend verondersteld, en niets dat ik zou kunnen zeggen kan daar iets aan veranderen. Dat is soms een frustrerende ervaring. Het is of je ervan beschuldigd wordt dat je je moeder hebt vermoord en niemand luistert als je zegt: welnee, onzin, ze leeft nog, kijk maar, hier is ze. De enige reactie is: 'wie dat is weten we niet en dat willen we ook helemaal niet weten, want je hebt je moeder vermoord'.

Dit alles zou ontmoetingen met de Indische gemeenschap een griezelige onderneming kunnen maken, maar dat is tot nu toe nooit het geval geweest. Ik heb deelgenomen aan diverse Pasar Malams, Indische avonden, signeersessies van Indische literatuur en wat dies meer zij, en ik heb me er nooit bedreigd gevoeld. Ik merk bij de mensen eerder iets van verlegenheid, alsof ze zich wilden verontschuldigen voor iets dat nu eenmaal zo is en niemand persoonlijk kan worden aangerekend: Zo, bent U nou meneer K. Ja, uw boek heb ik natuurlijk niet gelezen en dat zal ik ook nooit doen - als ging het om een natuurverschijnsel, iets waarvan het onoverkomelijke ook voor mij evident is. Nog tijdens de recente Indische Week in boekhandel Van Stockum vertelde iemand mij op vanzelfsprekende toon dat haar man mijn boek wel eens had ingekeken, maar zij zelf natuurlijk niet.

Hoe moet je daar op reageren? Ik moet bekennen dat ik soms niet weet wat voor gezicht ik moet trekken, niet alleen omdat men begrip en instemming van mij lijkt te verwachten, maar vooral omdat er bij zulke persoonlijke contacten meestal een ontwapenende Indische hartelijkheid aan de dag wordt gelegd (daar zouden de Nederlanders wat van kunnen leren, maar de trend is helaas eerder omgekeerd).

Maar hoe hartelijk ook, het blijft natuurlijk idioot dat een hele groep mensen een boek niet leest en er een negatief oordeel over heeft als gevolg van een soort algemeen aanvaard bijgeloof. Soms is het of de mensen het boek niet eens durven aan te raken; als er een stapeltje op een tafel ligt lopen ze er in een boog omheen, alsof het al incriminerend was er mee te worden gezien; iemand heeft mij eens fluisterend toevertrouwd: ik heb het wel gelezen hoor, en ik ben het eigenlijk volkomen met u eens, maar dat kan ik in mijn omgeving natuurlijk niet zeggen.

Je kunt je afvragen wat dit precies impliceert. Waarnaar verwijst dat 'natuurlijk' in feite? Er is ondanks voordehandliggende verschillen een zekere analogie met de Rushdie-affaire in de islamitische gemeenschap: een handvol fanatieke mullahs die oproepen een boek ongelezen te veroordelen, en een groep gewone, betrekkelijk vriendelijke, niet-fanatieke mensen die daar gehoor aan geeft, niet uit overtuiging maar meer uit een soort groepsgevoel, tegen iets dat voorgesteld wordt als een bedreiging van buitenaf.

Het gevoel van een vijandige en bedreigende buitenwereld is ook in de Indische gemeenschap niet onbekend, en ook de Indische gemeenschap heeft haar mullahs. Mag de sfeer die ik beschreef oppervlakkig gezien iets gemoedelijks hebben, op de achtergrond opereren wel degelijk een paar kwaadaardige ayatollahs die het roddelcircuit naar behoefte van leugens en verdachtmakingen over de schrijver van het O.I. Kampsyndroom voorzien.

Zulke dingen heb ik tot dusver over mijn kant laten gaan; maar een paar van die dolle mullahs hebben het de laatste tijd zo bont gemaakt dat ik vind dat het moment gekomen is om eens te reageren. Zo loost van tijd tot tijd een uit het gesticht ontsnapte gek de meest fantastische leugens over mij in het tijdschrift Moesson, wedijverend met een andere boef die zowaar naar dezelfde naam luistert - ik dacht eerst dat het dezelfde was - in een blaadje genaamd Nieuwsmagazine van de Stichting Japanse Ereschulden.

Over dit opmerkelijke koppel bij een volgende gelegenheid meer.

* Uitgeverij Meulenhoff, februari 1992. Beschreven als 'Kousbroeks Pak van Sjaalman over de ondergang van Nederlands-Indië'.

Er is van alles over dit gedicht te zeggen, maar het voornaamste in dit verband is dat het gaat over de verwantschap tussen mens en dier: een verre tak, een oud verbond, daarmee uitdrukking gevend aan iets dat ver is te zoeken in de ontelbare dierfabels die onze cultuur - en vele andere - over de eeuwen hebben voortgebracht. In al die tijd werden de dieren gezien als een weerspiegeling van de menselijke samenleving, van een onzichtbare of hogere orde, van een of ander plan, als instantie waarheen vooral de luiaard werd opgedragen te gaan om wijs te worden; de dieren waren kortom een soort leermiddelen, requisieten in een toneelstuk, hulpmiddelen bij het onderwijs, boodschappers en ook bron van vermaak - maar niet een tak van de familie, ver of nabij, niet wezens met wie we een relatie hebben krachtens een verbond, gevoeld als oud maar in feite recent.

Muizen in jurkjes