Body and Soul

Op en achter het toneel gedraagt hij zich als een stripversie van het archetype van het rock 'n roll-beest zoals dat door vorige generaties is ontwikkeld. Hij zwalkt als Jim Morrison dronken en stoned over het podium, klimt als Lux Interior van The Cramps in de lichtmast, en spuugt en sneert als Johnny Rotten naar het publiek waar hij zich even later op de wijze van Iggy Pop als levend offer tussenin laat vallen. In interviews is hij beurtelings behaagziek, onbeschoft, klagerig en op het gênante af openhartig: het verwaarloosde puppy, het onmogelijke kind, de gekwelde artiest en zwartromantische junk. Een over het paard getilde aansteller die zo nodig de destructieve rock-ster moet uithangen, een volstrekt overleefde pose, is het oordeel van bijna iedereen die Bob Forrest, de zanger en songschrijver van de groep Thelonious Monster, op het afgelopen Pinkpop Festival te keer heeft zien gaan; boos als een burgermansfamilie op die ene oom die op een gezellige verjaardag opeens met dikke tong over zijn heel erg werkelijke depressies begint. I sleep with the TV on, so I don't feel so alone, begint Forrest op Beautiful Mess, de laatste cd van Thelonious Monster en wat mij betreft een van de mooiste, meest aangrijpende en relevante platen van de afgelopen anderhalf jaar, de song 'Body and Soul'.

Muzikaal mag u, vanwege de corridor van dalende akkoorden waar elke tekstregel op aan komt vliegen, denken 'Cream, White Room, maar dan minder theatraal', en, vanwege de met het wah-wah pedaal tot een vlucht verschrikte vogels omgevormde gitaarklanken, 'Hendrix'. In de stilte na de storm van het intro heeft de stem van Forrest even iets geknepens en jengeligs: een kind, bang in het donker, dat om een glaasje water roept maar er is verder niemand thuis. “This house is an empty wreck/ It's a perfect match for its perfect guest/ In between getting pizzas delivered and going to the store for beer/ I sit here day and night, wondering why I'm here.” Prachtig: een kaal huis, de vloer bezaaid met lege pizza-dozen en bierblikjes en op de muur in koeieletters het woord 'Why?', is dat nou rock 'n roll of 'dirty surrealism'? Het is 1993, Oom Bob, is veler reactie, je bent te oud voor Teenage Angst, waarom ga je je niet ergens voor inzetten: voor Geld, God, Genot of Goede Zaken? It's like my body and soul can't take it anymore/ please somebody help me, I never wanted help before. Dit is het refrein; de stem van Forrest verruimt zich tot de omvang en diepgang van de blanke soulzanger die hij in wezen is, en terwijl je ook als luisteraar je borst voelt zwellen om al in de eerste herhaling met hem mee te kunnen brullen, besef je dat deze schaamteloos persoonlijke noodkreet de kracht heeft van een algemeen protest. Het protest van een generatie die in de hangende tuinen van L.A. to Tokyo is opgegroeid met gescheiden ouders (Mercedes and necklaces have long been divided/ He needs a personal license plate and she needs another man, zingt Forrest in een andere, oudere, song) en met een kastvol afgedragen schoenen uit de jaren zestig, maar te verward en te gevoelig is om te kunnen ademen in het morele vacuüm dat gangs en yuppies en ravers daarna om hun ziel getrokken hebben. Bob Forrest spreekt uit naam van de aan hun lot overgelaten Franny's en Zooey's en Catchers In The Rye van de jaren negentig, of, naar de titel van de roman van Douglas Copeland: 'Generation X'. De '?-Generatie' zou je ook kunnen zeggen, want als deze 'kids' - die in tegenstelling tot hun ouders zelfs bij seks en drugs en rock 'n roll vergeefs om steun aanklopten - een ding gemeen hebben is het dat ze stuurloos zijn: 'I'm Like A Bus With No Driver' is ook een songtitel van Beautiful Mess. Nergens wijs meer uit kunnen worden, vooral niet uit jezelf. “Soms mis ik mijn zus”, zingt Forrest in 'Blood Is Thicker Than Water', “zij is Herboren Christen en ik geloof nergens in. Mijn vader was een racist, maar ik wou dat hij nog leefde, dan konden we samen naar de Dodgers.” In 'Body And Soul' wordt deze beker tot op de laatste druppel geledigd: I didn't cry when my mama died, I don't think I even flinched/ but I broke down this morning when I saw these two kids kiss. Openlijk huilen om je verloren onschuld, je moet maar net het lef hebben. Something is whipping around inside me that I just don't understand. Woede-en-pijn is de naam van het aan twee kanten snijdende mes dat als een sabel tijdens een kozakkendans in zijn binnenste rondzwiept; nergens zo fel als in een vanuit de tenen gekermde ballad op de eerste elpee van Thelonious Monster uit 1986, waarin Forrest een meisje, dat met de achteloosheid waarmee een kind speelgoed uit de box gooit zijn hart heeft gebroken, toebijt: als liefde dan toch helemaal niets voorstelt volgens jou, then why don't you blow me... - en, na een halve tel waarin je de bitterheid van zijn gal bijna in je eigen mond kunt proeven: And The Rest Of The Band! Niet zo aardig van 'm, nee, maar je zal maar net heel erg om liefde verlegen zitten.

Na een korte vonkenregen van een gitaarsolo die eindigt in een morsig S.O.S. maakt Forrest voor het laatste couplet van 'Body and Soul' zijn stem zo klein dat hij door een telefoonlijn kan. I wanted to kill myself/ but I've always been too scared/ my life is like sideways rain/ just swirling 'round in the air/ I've been searching for most of my life for anything to believe in/ like God or Love or something, any kind of simple solution.

Maar vergeet het maar, is wat hij zegt. De wereld is een mooie puinhoop. Mooi maar een puinhoop, net als hijzelf van binnen: A Beautiful Mess. Forrest is na de 'rebels without a cause' uit de begintijd van de rock 'n roll, de 'rebels with a just cause' van de Sixties, de 'rebels against all causes' uit de punkperiode en de 'anti-rebellen' van de jaren tachtig, een rebel die niets liever zou willen dan dat hij een 'cause' had: één goede reden om zichzelf te redden, body and soul.

    • Roel Bentz van den Berg