Bezoek

Ik zit op mijn kamer. De zon schijnt fel in mijn gezicht. Iris is er ook. Ze bladert in een boek dat plat op tafel ligt. Ze vraagt: wanneer komt Lenferink - en dat is minder bizar dan het lijkt; we hebben Jan gekend in Nijmegen.

Ik pak mijn agenda. Er staat voor volgende week donderdag een afspraak genoteerd die ik me maar half herinner. Ik zeg: het wordt ook eigenlijk te gek.

Uit de hoek waar in mijn kamer de cd-speler staat komt het geluid van een nieuwe opera, een Verdi. Sopraan gaat tot het uiterste. Is dat, zeg ik, geen opera voor jou? Dan hoor ik op straat een auto stoppen. Mijn afspraak van twee uur.

Ik sta op. Hoewel ik voorlopig niet zal terugkomen, laat ik de muziek aanstaan. Ik ga de bovenste trap af en kan mijn ogen niet openkrijgen. Dat is het felle zonlicht van zoëven nog. De trap maakt een extra bocht. Ik vraag mij af: zou hier de hond niet moeten zijn?

De overloop. De tweede trap. Ik voel dat de voordeur openstaat. Nu wordt het de hoogste tijd voor mijn ogen. Een klamme duisternis. Een figuur bij de meterkast. Een hoge schim, als van een man met een kind op zijn schouders, kijkt naar mij op, zijn hand al aan de leuning.

Dit is een vast patroon. Altijd een vreemde in mijn huis, of iemand die de trap opkomt. Dan schrik ik wakker. Bonkend hart. De holle angst voor ooit.