Afscheid van Maij

MINISTER MAIJ-WEGGEN vertrekt op dezelfde manier uit de nationale politiek als zij vier jaar geleden kwam: met veel tumult. Haar laatste begrotingsbehandeling deze week in de Tweede Kamer was het moment om de balans op te maken van het gevoerde verkeers- en vervoersbeleid. Een weinig opwekkende balans. Als de minister ergens op kan terugkijken is het hoon. Successen zijn nauwelijks te melden. Het onderwerp verkeer had toen zij aantrad een zware politieke lading. Het tweede kabinet-Lubbers was, althans formeel, gevallen over de voorgestelde verhoging van het reiskostenforfait. De mobiliteit omlaag en zoveel mogelijk mensen het openbaar vervoer in, dat was dus de doelstelling die in versterkte mate door de nieuwe coalitie Lubbers/Kok in 1989 werd overgenomen.

Is dat gelukt? De cijfers zoals die staan vermeld in het meerjarenprogramma Infrastructuur en Transport van minister Maij-Weggens ministerie zijn even onthullend als dodelijk. Nederland verplaatst zich steeds meer en de auto is daarbij veruit favoriet. De spectaculaire stijging van het aantal treinpassagiers die zich tussen 1986 en 1991 voordeed, is nagenoeg tot staan gebracht. Tot het jaar 2000 wordt zelfs een daling voorzien. Er hoort een kanttekening bij. De cijfers zijn geflatteerd omdat in de eerste periode de openbaar-vervoerkaart voor studenten werd ingevoerd. De lustkilometers bestonden niet in het brein van ambtenaren, maar wel in dat van de studenten, met als gevolg overvolle treinen. Maar ook als de OV-kaart buiten beschouwing wordt gelaten, laten de voorlopige cijfers over het nu lopende jaar niets aan duidelijkheid te wensen over: de automobiliteit groeit met vier procent, het vervoer per trein blijft ongeveer gelijk en het vervoer per bus en tram daalt.

HET IS NIET verwonderlijk dat het debat in de Tweede Kamer over de begroting van Maij-Weggen zich op dit punt concentreerde. Opmerkelijk was echter wel dat het 'ballengooien' van de PvdA kwam, één van de twee coalitiepartijen. Dat Maij-Weggen zich over die houding van de PvdA verbaasd en gegriefd heeft getoond, is terecht. De PvdA nam deze week wel erg gemakkelijk afstand van het gevoerde beleid waarvoor ze zelf de volle verantwoordelijkheid draagt.

In het meerjarenprogramma Infrastructuur en Transport worden de toegenomen vertragingen en capaciteitsproblemen bij de spoorwegen in combinatie met de sterk gestegen treintarieven als redenen voor de omslag in het vervoersgebruik genoemd. Een gegeven waar de minister tegenover stelt dat zij het openbaar vervoer, dat zij als een zieke patiënt aantrof, niet in één klap beter kon maken. Voor een belangrijk deel heeft zij gelijk. Wie zich per trein verplaatst en door de overvolle trein naar buiten kan kijken, zal het niet ontgaan dat overal aan het spoor wordt gewerkt. De angstige vraag is nu veeleer of, als er straks over verdubbelde sporen dubbeldekstreinen langs vernieuwde stations rijden, er nog wel passagiers in zitten.

Het openbaar vervoer zal hoe dan ook kostendekkender moeten werken. Prijsverhogingen zijn onontkoombaar. De concurrentie met de auto kan echter alleen geleverd worden als ook aan die kant naar de prijs wordt gekeken: als de vaste kosten van de auto lager worden en de variabele kosten hoger.

Op dit terrein heeft Maij-Weggen de afgelopen jaren wel veel ideeën gelanceerd, maar even zoveel afwijzingen moeten incasseren. Rekening rijden, spitsvignet, tolheffing - niets mocht. De minister werd telkens geconfronteerd met een weerbarstige Kamermeerderheid. Lag dat aan haar manier van optreden? Ongetwijfeld. Maar de persoon Maij-Weggen is al te vaak als alibi gebruikt om niet te hoeven kiezen voor impopulaire maatregelen.