ABP: pensioenfondsen presteren ondermaats

ROTTERDAM, 12 NOV. Het beleggingsrendement van zes van de dertien grootste Nederlandse pensioenfondsen was in de laatste vier jaar onvoldoende. Dit heeft het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds berekend.

De opbrengst van de beleggingen van zes van de dertien fondsen komt volgens de calculaties van het ABP onder de interne rekenrente van 4 procent plus inflatie uit. Samen waren die in de periode 1989 to 1992 gemiddeld 6,9 procent. De rekenrente is een door de pensioenfondsen intern vereist minimumrendement op beleggingen.

“De meeste pensioenaanspraken zijn geïndexeerd, vaak met de inflatie. Het minimaal te behalen rendement zou de rekenrente plus inflatie moeten zijn”, schrijft het pensioenfonds in de jongste uitgave van ABP-Wereld, een uitgave van het pensioenfonds.

Gezien de forse stijging van de aandelen- en obligatiekoersen dit jaar, zijn de resultaten van de pensioenfondsen in de door het ABP onderzochte periode geenszins representatief voor de resultaten die over het lopende jaar worden verwacht.

In de lijst van resultaten van de dertien pensioenfondsen over de periode 1989-1992 komt het Shell-pensioenfonds op de laatste plaats met een rendement van gemiddeld 3,5 procent over de laatste vier jaar. Het Spoorwegpensioenfonds behaalde de beste resultaten met een rendement van 7,6 procent.

Hoewel aan het beleggen in zakelijke waarden (aandelen) op lange termijn het hoogste rendement wordt toegekend, presteerden door de matige prestaties op de effectenbeurzen in de onderzochte periode de fondsen die veel in aandelen hadden belegd vaak het minst goed. Het gemiddeld rendement op zakelijke waarden bedroeg 3,2 procent. Het Philips-pensioenfonds A belegde met het meeste succes in aandelen (7,2 procent) en KLM het minst goed (-4,3 procent). Beleggen in vastgoed bracht een gemiddeld rendement op van 4,9 procent, waarbij Unilever de beste prestaties haalde (7,9 procent) en Shell de minste (1,4 procent). Obligaties en andere vastrentende waarden deden het in de onderzochte periode met een gemiddeld rendement van 8,1 procent het best, waarbij het Shell-pensioenfonds de beste prestaties leverde (9,1 procent) en het Philips pensioenfonds B de minste (7,3 procent).

Zelf haalde het ABP een rendement van 7,5 procent, waarmee het fonds als een na beste uit de bus komt. Het actuarieel tekort, dat aangeeft in hoeverre het fonds in de toekomst aan zijn verplichtingen kan voldoen, loopt echter toch op. Om quitte te spelen zouden de deelnemers aan het ABP (voornamelijk overheidspersoneel) 19 procent premie moeten afdragen. Dat is slechts 9 procent. Het beleggingsrendement maakt het tekort aan premie-inkomsten niet goed.

Het totaal belegd vermogen van Nederlandse institutionele beleggers (pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen, bedroeg eind vorig jaar 622 miljard gulden. De verzekeraars nemen hiervan 182 miljard gulden voor hun rekening, het ABP 173 miljard gulden en de overige pensioenfondsen 267 miljard gulden. De door ABP onderzochte fondsen vertegenwoordigen 300 miljard gulden. Per hoofd van de bevolking staat in Nederland 43.500 gulden uit, hoger dan in het Verenigd Koninkrijk (31.200), de Verenigde Staten (27.400), Japan (20.165) en Duitsland (16.000). Gezien de vergrijzing van de Nederlandse bevolking moet het bedrag per Nederlander volgens het ABP verdubbelen om aan alle toegezegde pensioenverplichtingen te voldoen. De vergrijzing zal dan ook worden vertaald in sterk stijgend vermogen van pensioenfondsen en levensverzekeraars.

Het ABP pleitte eerder dit jaar voor een versnelde opheffing van de beperkingen die de overheid aan het beleggingsbeleid van het fonds heeft gesteld. In ABP-Wereld wijst het fonds er op dat een hoger rendement noodzakelijk is. Een fonds dat vooral in vastrentende waarden belegd, schrijft het ABP, loopt zeer grote risico's dat de resultaten achterblijven bij de toekomstige pensioenverplichtingen. Het fonds wil een grotere activiteit in aandelen en buitenlandse beleggingen. ABP-beleggingstopman Frijns zei dit voorjaar bij de presentatie van de jaarresultaten dat het pensioenfonds ook actiever wil worden in financiële derivaten (opties en termijncontracten).