Tsjaad of Zwitserland

Over de Derde wereld wordt tegenwoordig niet veel meer gesproken. Het is inmiddels wel duidelijk geworden dat dit een weinig zinnige term is. Een begrip dat landen als India en Brazilië onder één noemer brengt met Tsjaad en Mali heeft weinig wetenschappelijke of analytische betekenis. Nu was de term daarvoor ook niet bedoeld. 'Derde wereld' was geen analytisch maar een propagandistisch begrip. Het beoogde associaties op te roepen met de, van de Franse revolutie bekende, Derde stand, de tiers état. Vandaar ook dat in het Frans van 'tiers' en niet van troisième monde wordt gesproken.

Inmiddels is de Derde wereld, zo die al ooit bestond, uit elkaar gevallen. Sommige ex-Derde-wereldlanden zijn gaan behoren tot de groep die tegenwoordig wel die der 'industriële tijgers' wordt genoemd. Daarbij gaat het om tijgers in de ouderwetse zin van het woord, angstaanjagende dieren die ons dreigen te verscheuren en te verslinden, en niet om de welhaast vertederende diersoort die door het Wereldnatuurfonds moet worden beschermd. Andere, zoals India en Brazilië, behoren tot de grootmachten van de toekomst, waarvoor een plaats in de Veiligheidsraad moet worden ingeruimd. Weer andere zijn nu wel niet direct tijger of grootmacht geworden, maar hebben toch hun problemen grotendeels onder controle gebracht. En ten slotte zijn er dan de Derde wereldlanden in de traditionele zin van het woord, de arme, onontwikkelde landen die voor kolossale, welhaast onoplosbare problemen staan.

In een aantal gevallen is inderdaad sprake van een bijna hopeloze uitgangspositie. Dat geldt met name voor sommige landen in Afrika. Het is niet moeilijk voorbeelden van zulke landen te geven: kleine landen zijn het die ingesloten liggen tussen vaak vijandige buurlanden, afgesloten van zee en zonder natuurlijke hulpbronnen of bodemschatten. Een groot deel van de grond is bergachtig en onvruchtbaar. Verbindingen bestaan niet en zijn moeilijk aan te leggen wegens de vele bergen en andere hindernissen. De bevolking is klein en valt bovendien nog uiteen in verschillende groepen, zonder culturele of linguïstische banden. De mensen zijn zo arm dat ze emigreren of als huurlingen dienst nemen in buitenlandse legers. Zo'n land lijkt nauwelijks toekomstmogelijkheden te hebben. Het is het uitzichtloze ontwikkelingsland par excellence.

Toch is dit, zoals de Zwitserse historicus Bairoch heeft opgemerkt, een vrij adequate beschrijving van Zwitserland zo'n tweehonderd jaar geleden. Ik heb deze observatie van Bairoch al eens eerder aangehaald omdat ze zo goed laat zien dat beschrijvingen in zulke algemene termen weinig praktische betekenis hebben. Zoals, omgekeerd, pogingen om in abstracte, theoretische termen de voorwaarden voor ontwikkeling te schetsen slechts tot nietszeggende algemeenheden leiden.

Zwitserland, om daar even naar terug te keren, is een land met een op zijn minst problematische ligging, een religieus en etnisch gecompliceerd samengestelde bevolking en weinig natuurlijke hulpbronnen, een land bovendien zonder toegang tot zee en met hoogst ongunstige omstandigheden voor het aanleggen van wegen en verbindingen. Toch is het een van de rijkste landen van de wereld. Hoe is dat gekomen? Een deel van het antwoord op deze vraag ligt in het feit dat Zwitserland het eerste land in Europa was dat het Engelse voorbeeld volgde en de Industriële revolutie aanvaardde. Het werd dan ook al snel een concurrent voor Engeland, zozeer zelfs dat dit land in 1835 een onderzoekscommissie naar Zwitserland stuurde om uit te zoeken hoe het mogelijk was dat dat kleine land met nauwelijks twee miljoen inwoners op alle markten van de wereld met het machtige Albion concurreerde. De Engelse waarnemers concludeerden dat het Zwitserse succes verklaard moest worden uit de consequente vrijhandelspolitiek. Dat was inderdaad een factor van belang, maar deze alleen kan het Zwitserse succes niet volledig verklaren. Er waren ook andere factoren in het geding: staatsonthouding, fiscale politiek, alfabetisering, spaarzin, politieke rust, neutraliteit en afzijdigheid.

Een andere waarnemer, Goethe, interesseerde zich ook voor de Zwitserse industrialisatie. In zijn Wilhelm Meisters Wanderjahren nam hij Zwitserland als voorbeeld bij zijn beschouwingen over betekenis en gevolgen van de technische vooruitgang. Hij laat daarin een van de betrokkenen aan het woord die vertelt hoezeer de bevolking door het oprukkende machinale stelsel verontrust en beangstigd wordt. Maar men beseft ook dat men zich niet kan onttrekken aan deze verandering die, als een opkomende storm, langzaam maar onweerstaanbaar nadert. Zo komt men voor een onontkoombare keuze te staan, namelijk in de woorden van Goethe: “entweder selbst das Neue zu ergreifen (...) oder aufzubrechen” en elders een nieuw bestaan te zoeken. Het is duidelijk welke keuze Zwitserland gemaakt heeft.

Kan men in het geval van Zwitserland dus wijzen op zijn industriële voorsprong, als verklaring voor zijn huidige welvaart schiet deze factor tekort. Het land met de grootste voorsprong, Engeland, zit immers volop in de problemen. Omgekeerd zijn er ook landen die pas heel laat industrialiseerden en nu tot de rijkste landen van de wereld behoren. Dat geldt bijvoorbeeld voor de Scandinavische landen. Ook Zweden, Noorwegen, Finland en Denemarken zijn thans spreekwoordelijk welvarende landen. Een eeuw geleden was dat echter heel anders. Toen waren het onderontwikkelde en achtergebleven gebieden die tot de armste van West-Europa behoorden. Ook deze landen beschikten niet over bijzondere grondstoffen of hulpbronnen. Evenmin hadden zij koloniën. Integendeel, in de tijd dat andere Europese landen zich op koloniën stortten, richtten zij zich op industrialisatie. En met succes. In de veertig jaar vóór 1914 steeg het nationaal inkomen in deze landen gemiddeld met tweehonderd procent.

Voor de verschillen in ontwikkeling tussen landen en werelddelen zijn vele verklaringen gegeven. Jan Romein beschouwde de bijzondere gang van Europa als een afwijking van het “Algemeen Menselijk Patroon”. Aangezien deze afwijking niet uit natuurlijke factoren (ras, klimaat, geografie) verklaard kan worden, moet ze volgens hem uit historische ontwikkelingen worden verklaard. Hij zag kennelijk niet in dat dit een tautologie is. Max Weber zag in het calvinisme een belangrijke verklaring voor de opkomst van de kapitalistische geest in Europa. Het is inderdaad niet onaannemelijk dat daartussen verband bestaat, maar men kan op deze wijze de opkomst van het kapitalisme niet overtuigend verklaren. Max Weber beschouwde het confucianisme in Azië als een wereldbeschouwing die, anders dan het christendom in Europa, niet bevorderlijk was voor de opkomst van het kapitalisme. Tegenwoordig zoeken echter velen die het opvallende verschil in ontwikkeling tussen Oost-Azië en andere ontwikkelingslanden willen verklaren de oorzaak daarvan juist in het in Oost-Azië aangehangen confucianisme.

Zo zijn er vele theorieën over de voorwaarden voor economische ontwikkeling. De beste is echter zoals meestal de eenvoudigste. Deze is al een eeuw geleden geformuleerd door Joseph Chamberlain, de Engelse minister van Koloniën die daarvóór burgemeester van Birmingham was geweest. Deze vond dat de koloniën, net als zijn vroegere woonplaats, maar twee dingen nodig hadden: goed bestuur en goed drinkwater. Dan kwam de rest vanzelf.