Trekhaak

'Hoe ging het vandaag?'' 'Gaat wel.'' 'Was het moeilijk?'' 'Ging wel.'' 'Wat heb je morgen?'' 'Geschiedenis.'' 'Moet je nog veel doen?'' 'Gaat wel.''

Je bent 47, over the hill, en je hummel doet schoolonderzoeken. Je doet zelf ook een beetje schoolonderzoek. Je wilt helpen, maar dat gaat niet. Dat wil je hummel niet. Somber achter je koffie doe je zelfonderzoek. Heb je gefaald als opvoeder? Nee, hoor.

Aan de grove den hier hangt een mezenhuisje. Mezenhuisjes zijn mezenhuisjes omdat ze een mezengat hebben. Eén keer hebben we een groot nest gehad. Je kon met de eitjes een compleet eierrek vullen. Een voorjaar lang zwiepten pa en ma Mees twee meter boven het gazon van en naar het kastje, naar en van voedselbronnen. Aan het eind van het broedseizoen, toen de laatste van het kroost binnen in het huisje nog steeds zat te schreeuwen, zagen ze er uit als kleine vieze oude gele mezenlapjes, uitgewoond, afgeleefd. Op een ochtend was het stil. Geen mees meer gezien.

Het moet toch wat zijn om als jonge mees uit te vliegen. Je hele jeugd zit je in een donker hok met boven je een lichte plek, een gat waardoor niet vaak genoeg naar je zin een reusachtig beest eten komt brengen. En dan op een dag denk je: 'Laat ik eens door dat gat kijken.'' Je dondert er uit en ... JE VLIEGT. ('Kicken'' zeggen mijn leerlingen met een uithaaltje).

Alle jeugd vliegt uit. Mensenjeugd net als mezenjeugd. Daarom hebben hun ouders een trekhaak. Op een dag, op een zaterdag, organiseert pa een karretje en reddert met zoon of dochter het bed, twee oude kastjes, schemerlampen, posters, een bureau en 'moeten die oude boots ook mee?' in het karretje en rijdt z'n kroost naar Amsterdam.

'Nou, tot volgende week en als er wat is, bel je maar.'' Ze bellen niet. Bij mensen trekken de ouders hun kroost als het ware uit het nest. Maar toch, leuk is anders.

De voorafgaande frustratie, het ongenoegen over het oudere thuiswonende kind is daarom een zegen. Dit aansluipende ongenoegen verzoet de pil van het verlaten. Natuurlijk, kinderen van nu houden veel meer van ouders van nu dan kinderen van vroeger, zoals onderzoek heeft aangetoond.

Maar ze kunnen me niks wijs maken. De laatse jaren zijn afzien. Er moet nog van alles opgevoed worden, maar het kind laat het niet toe. Ze glibberen je tussen de vingers door.

Hoe laat thuis, om eens wat te noemen. Alsof je onderhandelt in een ver en vreemd land waar je altijd teveel betaald. Ze mogen altijd later thuiskomen dan je wilt en ze komen nog later. Ik ken een ouder die 's nachts om drie uur handenwringend naar zijn dochter op zoek ging in het uitgaanscentrum van de nabijgelegen grote stad. Ik ken die ouder heel goed, heel erg goed. Verdomd, daar stond ze.

Heus, ze wonen IN, die laatste jaren. Je bent klaar. Er valt niks meer te doen dan te zorgen voor de warme hap, de telefoonrekening en nog een paar kostenposten. Wees maar niet bang, het komt allemaal goed. Met haar kwam het ook goed.

    • Rob Knoppert