Tolerantie en verharding

Het vreemdelingenvraagstuk houdt Nederland bezig. Eigenlijk is het vraagstuk, laten we het maar toegeven, Nederland zelf. De vragen die Nederland zichzelf stelt luiden: Kunnen we het aan? Zal een toevloed aan vreemdelingen niet 'Duitse toestanden' veroorzaken, is de Nederlander wel zo tegemoetkomend en tolerant als hij zichzelf graag voordoet? Als het antwoord moet zijn dat de tolerantie snel wegkwijnt zodra zij op de proef wordt gesteld, hebben zij gelijk die de instroom willen beperken. Alleen, de vreemdelingen waren dan niet het probleem, zij hebben slechts geholpen het probleem zichtbaar te maken.

De eersten die wilden bewijzen dat er aan de tolerantie grenzen zijn, dat er niet zoiets als tolerantie bestaat, waren de volgelingen van Janmaat. Maar de echo van een bruin verleden overstemde hen jarenlang. Vervolgens kwam de liberale leider Bolkestein het taboe doorbreken dat op het vreemdelingenvraagstuk heette te rusten. Hij deed dat door in een geleerd betoog te wijzen op het tekort aan tolerantie juist in die culturen waaruit nogal wat vreemdelingen voortkomen die zich in Nederland vestigen.

Bedreigde die geesteshouding nu juist niet de vaderlandse identiteit waarvan tolerantie nu eenmaal een essentieel deel uitmaakt? Het was een vondst waarmee verwijten van intolerantie konden worden gepareerd. Tegenover intolerantie mag, neen, moet men intolerant durven zijn, zo was de boodschap. En logisch geredeneerd is daar niets op af te dingen. Inmiddels klinkt uit de delta een kakafonie van verklaringen, verontschuldigingen en bezweringen. Spreekt hier een kwaad geweten?

De vreemdelingen die zich in Nederland vestigen zijn ruwweg in twee categorieën te verdelen: zij die zich niet aan de 'push' en zij die zich niet aan de 'pull' weten te onttrekken. In de laatste categorie behoren zij die hier werk zoeken of alleen maar een beter bestaan. Hiertoe behoort de allochtone directeur van een buitenlandse vestiging evengoed als de Turkse slachter die in de jaren zestig naar Nederland werd uitgenodigd, als de illegaal die in een Amsterdams atelier aan de slag is geraakt. De immigrant uit de jaren zestig is inmiddels afgedankt, zijn kroost is veelal kansarm, maar Nederland blijft het betere alternatief.

Op de 'push' hebben doorgaans mensen gereageerd die amper een benul hadden van Nederland, maar die als gevolg van de omstandigheden in hun eigen land met de voeten hebben gestemd. Hun redenen variëren van vervreemding via regelrechte onderdrukking en bedreiging tot oorlog en burgeroorlog, en combinaties daarvan. Alleen al de benauwende sfeer, opgeroepen door godsdienstfanaten, kan iemand die ruimer wil ademen in Nederland doen belanden. Overigens lang niet altijd het type persoonlijkheid dat de risico's waar Bolkestein op doelde, op zijn reis naar de tolerantie met zich meevoert.

De Nederlandse reactie op de verschillende achtergronden en oorzaken van deze immigratie die geen immigratie mag heten, was aanvankelijk confuus. Een jarenlange incubatieperiode waarin het anti-vreemdelingenvirus zich slechts uitte in het debiteren van kwalijke moppen, werd afgesloten met de onverwachte uiting van spontaan medeleven met de slachtoffers van de Joegoslavische troebelen. Even scheen het alsof alle huizen werden opengezet voor de opvang van deze tragische mensen. Inmiddels knokken gemeenten met het rijk over beantwoording van de vraag wie de groeiende stroom van vluchtelingen uit allerlei landen voor zijn rekening moet nemen. In die worsteling is langzamerhand alles toegestaan.

Na de verwarring komt de verharding. Duitsland heeft getoond hoe breed de internationale regelgeving is geformuleerd, ofwel hoe gemakkelijk een ruimhartig beleid ten aanzien van vreemdelingen kan verkeren in een aanpak die binnen enkele maanden de opvangcentra leegt en de hulpverleners werkeloos achterlaat. De aanloop in Nederland neemt toe nu de Duitsers er in slagen vreemdelingen buiten de deur te houden. Het is verleidelijk om het Duitse voorbeeld te volgen. Wel moet dan de collectieve vaderlandse woede worden weggeslikt die onlangs leidde tot een opvallende briefkaartactie aan Duits adres.

Het ziet ernaar uit dat de verharding zich vooral gaat richten op de kwetsbaarste groep, die der asielzoekers. Na wat vingeroefeningen met het terugsturen van Antilliaanse en Marokkaanse jongeren die in het crimineel circuit opereerden en na wat acties tegen illegale werknemers zijn de vluchtelingen aan de beurt. Dat heeft er deels mee te maken dat de acties (zoals die tegen de firma Blokker) minder resultaat opleverden dan was aangenomen, deels met de vanzelfsprekende zichtbaarheid van de vluchteling. Anders dan de illegaal die naar zijn aard de illegaliteit zoekt, is de vluchteling aangewezen op de legaliteit. Na aankomst in Nederland meldt hij zich bij de vreemdelingenpolitie teneinde zijn verzoek om asiel bij de autoriteiten in te dienen. Hij verblijft, geregistreerd en wel, in, soms gesloten, opvangcentra. Wie deze mensen kwijt wil, behoeft ze dus niet eerst op te sporen.

De eenvoudigste weg terug de grens over ligt in het concept van de veilige landen. Dat zijn landen die worden verondersteld fatsoenlijk met hun eigen burgers en met vreemdelingen om te springen. Praktisch komen veel zo niet de meeste vluchtelingen Nederland binnen over de oostgrens. Als dat aannemelijk is, kunnen ze naar Duitsland worden afgevoerd dat hen op zijn beurt overhevelt naar de veilige landen waarmee het zich, soms tegen betaling, heeft omringd. Dat in die landen het absorptievermogen beperkt mag worden genoemd, behoeft niet te deren. Tegen die tijd kijken we immers allemaal de andere kant op.

    • J.H. Sampiemon