Rekenkamer in de slag over fiscale prikkels milieu-investeringen

DEN HAAG, 11 NOV. Tussen Tweede Kamer en Rekenkamer woedt een felle fiscale polemiek over het stimuleren van milieuvriendelijke investeringen.

De Tweede Kamer vindt dat de instantie die de overheidsuitgaven toetst op doelmatigheid en rechtmatigheid Kamervragen niet serieus neemt. M. Engwirda, lid van de Rekenkamer, vindt op zijn beurt dat de parlementariërs met de formulering van hun vragen de “fatsoensnormen” hebben overschreden.

Inzet van het conflict is de de wet 'vervroegde afschrijving milieuvriendelijke investeringen'; afgekort Vamil. In het juni-raport formuleerde de Rekenkamer haar twijfel over deze regeling. De Rekenkamer “betwijfelt op grond van haar bevindingen of vervroegde afschrijving het juiste instrument is om ondernemers te stimuleren tot investeringen in milieuvriendelijke bedrijfsmiddelen”.

Het rendement voor de ondernemer is gemiddeld 3,8 procent van de investering en dat is “betrekkelijk laag” vindt de Rekenkamer. Volgens het Kamerlid Vermeend (PvdA), met zijn PvdA-collega Melkert indiener van het initiatiefwetsvoorstel dat ten grondslag ligt aan de Vamil, is het extra rendement in een meerderheid van de gevallen tien procent.

Waarom heeft de Rekenkamer haar 'twijfel' gebaseerd op “één simpel strikt theoretisch rekensommetje met betrekking het rendementseffect dat met een zakrekenmachine binnen de minuut kan worden gemaakt?”, vraagt de commissie voor de rijksuitgaven van de Tweede Kamer zich af.

“De Rekenkamer beschouwt deze vraag als een exclamatie van gevoelens en niet als een vraag waarop harerzijds een antwoord zou moeten worden gegeven”, luidt het verweer in antwoord 22f.

De parlementariërs vragen zich ook af of de Rekenkamer niet bevreesd is dat twijfel kan ontstaan over “zorgvuldigheid, deskundigheid en geloofwaardigheid” van haar onderzoeken, als onderzoek “louter op basis van een discutabel theoretisch rekensommetje” wordt gedaan. Voor de repliek op deze vraag verwijst de Rekenkamer weer naar antwoord 22f. Het onderzoek heeft 91 dagen aan personeelskosten gevergd.

Kamerlid Reitsma, woordvoeder van de commissie voor de rijksuitgaven, neemt geen genoegen met deze schriftelijke antwoorden en verlangt van de Rekenkamer op korte termijn een mondelinge toelichting.