Pedagogische regime

In de repliek van dr. G. de Vries op de kritische bespreking van zijn boek 'Het pedagogisch regime (...)' (W&O 28 okt) door dr. H. Ganzeboom vallen de volgende beweringen op: historisch ging het aanbod van bepaald onderwijs steeds vooraf aan de vraag ernaar; de vraag kan het aanbod niet verklaren; er bestonden vroeger geen anonieme arbeidsmarkten en geen keurig gerangordende diploma's; halverwege de 19e eeuw begonnen werkgevers te selecteren op getuigschriften. We gaan een en ander na.

De vraag naar onderwijs ging vooraf aan het onderwijsaanbod naarmate in de praktijk van de nijverheid en de zeevaart niet alleen praktisch, maar ook theoretisch onderlegd personeel nodig was. De na 1300 ontstane opleidingen waren het gevolg van de vraag ernaar. Voorbeelden in de periode 1300-1800: opleidingen (leerlingsstelsels) voor aspirant-gezellen en -meesters in het kader van het gildewezen (1300-1798); zeevaartkundig onderwijs in havensteden vanaf het midden van de 16e eeuw; een school voor ingenieurs en landmeters, van 1600 tot 1670 verbonden aan de Leidse universiteit; tekenscholen en -academies (in Nederland vanaf 1653), met onafhankelijk van de gildeopleidingen functionerend onderwijs voor de ambachten en de industrie; cursussen in landmeetkunde en/of vestingbouwkunde, gegeven aan universiteiten en athenea, en door particulieren. Voorbeelden in de 19e eeuw: bedrijfsopleidingen, vanaf 1832 gegeven door werkgevers; maatschappijgerichte tweede afdelingen van de latijnse scholen, gymnasia en athenea (vanaf 1812, in 1863 opgegaan in de hogere burgerscholen), als antwoord op de vraag naar een in hoofdzaak theoretische basisopleiding voor diverse vormen van beroepsuitoefening in de nijverheid; technisch, agrarisch, en handelsonderwijs, alsmede op vrouwelijke beroepen gericht onderwijs. Als regel werden succesvol doorlopen opleidingen met een diploma of getuigschrift in een feestelijke bijeenkomst bekroond.

Het bronnenmateriaal weerspreekt de beweringen: het aanbod van onderwijs volgde op de vraag ernaar; de vraag verklaart het aanbod; er bestond een anonieme arbeidsmarkt; 'keurig gerangordende diploma's' werden uitgereikt; werkgevers konden veel vroeger dan halverwege de 19e eeuw selecteren op getuigschriften.

Conclusie: mogelijk is Ganzebooms 'uithaal naar de historische sociologie'' toch niet geheel ongegrond.