Onthoorningsactie zwarte neushoorn in Zimbabwe mislukt

Het actieprogramma om de met uitsterven bedreigde zwarte neushoorn uit stropershanden te redden door de dieren hun hoorns alvast af te zagen dreigt te mislukken.

Aanvankelijk leek het een goed idee. In wildparken en natuurreservaten in Zimbabwe, waar zwarte neushoorns massaal door stropers zijn afgeslacht om hun hoorns, werd twee jaar geleden een onthoorningscampagne gestart met steun van het Wereldnatuurfonds. Sindsdien zijn tot april van dit jaar maar veertien onthoornde dieren door stropers gedood. De afgelopen zomer echter heeft volgens Esmond Bradley Martin van het Wereldnatuurfonds een ware slachting plaatsgevonden onder zowel zwarte als witte neushoorns in Zimbabwe. Alleen al in het Hwange Nationaal Park werden 68 van de 70 onthoornde dieren door stropers gedood en de stompjes van hun afgezaagde hoorns meegenomen.

Zelfs een pas onthoornde neushoorn is voor stropers nog de moeite van het doden waard, want na de operatie blijft altijd nog zo'n 15 procent van de hoorn achter, daarbij groeit deze met ongeveer een pond per jaar aan. Een complete hoorn van een Afrikaanse Zwarte Neushoorn weegt 2,5 tot 3 kilo. Het merendeel van de door stropers gedode dieren was al langer dan een jaar geleden onthoornd en dus al weer aardig wat geld waard. Op de zwarte markt brengt de hoorn zo'n 6000 dollar per kilo op.

De meeste stropers die in Zimbabwe opereren komen uit Zambia. De afgelopen tien jaar zijn zeker 150 stropers bij gevechten met parkwachten omgekomen maar dat heeft de rest niet afgeschrikt. Volgens Bradley Martin hebben ze eenvoudig geen economisch alternatief. In plaats van onthoorningscampagnes ziet hij meer perspectief in betere patrouilles, zoals in Kenia en Namibië. In Kenia leven ruim 400 zwarte en 75 witte rhinocerossen, geen van allen onthoornd. De afgelopen twee jaar zou er geen één gestroopt zijn. In Namibië vertoont de populatie een bescheiden groei. Op de lange duur kan alleen het afremmen van de vraag naar neushoorn-hoorn het probleem oplossen. In het Verre Oosten is veel vraag naar de hoorns voor de bereiding van traditionele koortswerende medicijnen, in Jemen worden er dolkhandvaten van gemaakt. De vraag in Jemen, in de jaren zeventig nog 4 ton per jaar, is volgens het Wereldnatuurfonds gedecimeerd. Als alternatief worden steeds meer hoorns van waterbuffel en antiloop gebruikt en de prijs voor Afikaanse neushoorn-hoorns zakt langzaam in. (New Scientist 30 okt.)

Tram met vliegwiel krijgt bij elke halte weer nieuwe energie

Op de Light Rail Tentoonstelling - 23 tot 25 november in Birmingham - zal een nieuw type tram met vliegwiel worden gedemonstreerd, de Parry People Mover. De tram wordt aangedreven door een vliegwiel, een zwaar wiel op een draaiende as waarin energie kan worden opgeslagen door het wiel sneller te laten draaien. Vliegwielen worden soms al gebruikt in vervoersmiddelen die vaak moeten remmen en optrekken, zoals bussen. De remenergie die bij een vliegwielloos vervoermiddel als warmte verloren gaat, kan in een vliegwiel worden opgeslagen en voor het optrekken worden gebruikt. Een dieselbus met vliegwiel hoeft de uitstappers bij een halte geen wolk roet in het gezicht te blazen. Om wrijvingsverliezen tegen te gaan draaien moderne vliegwielen veelal in vacuüm en zijn ze voorzien van magnetische lagers.

De nieuwe tram werd door technicus en entrepreneur John Parry uit de West Midlands in eerste instantie ontwikkeld voor ontwikkelingslanden. Trams met vliegwielen zijn goedkoper dan conventionele trams omdat er geen bovenleiding of spanningsvoerende rails langs het hele traject hoeven te worden aangelegd. Het aanleggen van de rails kost ongeveer 300 gulden per meter, een tiende van de kosten van normale tramrails.

Het vliegwiel onder het vloeroppervlak van de tram wordt aangedreven door een 30 kilowatt elektrische motor die wordt gevoed door een spanningsrails waarover een spanning van 70 volt staat. Dat voeden van de motor gebeurt bij opstapplaatsen. Het vliegwiel zelf is via een stelsel van riemen en koppelingen met de wielen van de tram verbonden. Wanneer de tram wegrijdt van zijn voedingsbron zit er voldoende bewegingsenergie in het vliegwiel om minstens een kilometer te rijden. Het opladen duurt ongeveer 30 tot 45 seconden. Er wordt ook nuttige energie aan het vliegwiel overgedragen als de tram remt of van een heuvel rijdt. De tram kan echter niet op eigen kracht een heuvel oprijden. Heuvel op moet er daarom stroomvoerende rails worden aangelegd. Met maximaal 25 passagiers (veertien zitplaatsen) is de maximum snelheid 30 mijl per uur. Verschillende Britse steden hebben interesse in de tram getoond. (Jan Libbenga)

Echografie kan deel vruchtwaterpuncties overbodig maken

Foetussen met een vochtophoping in hun nek, die zichtbaar is op een echo, hebben een grotere kans op een chromosomale afwijking. Screening op deze vochtophoping tijdens de vroege zwangerschap kan tachtig tot negentig procent van de foetussen met chromosoomafwijkingen opsporen. Dat stelt mevrouw drs. R.J.M. Snijders, die op 9 november aan de Universiteit Utrecht promoveert. Het promotieonderzoek is uitgevoerd in het King's College Ziekenhuis in Londen.

Volgens Snijders heeft het screenen van zwangere vrouwen ouder dan 35 jaar met vruchtwaterpunctie en vlokkentest de afgelopen 20 jaar in de praktijk nauwelijks geleid tot een daling van het aantal pasgeborenen met een chromosomale afwijking. De 'oudere moeders' vormen weliswaar een risicogroep, maar wel een betrekkelijk kleine groep. Verreweg de meeste zwangere vrouwen zijn jonger dan 35 jaar. Zij hebben ieder voor zich een relatief lage kans op een kind met een chromosomale afwijking, maar tezamen krijgen de jongere vrouwen toch de meeste kinderen met een chromosomale afwijking. Bovendien willen sommige vrouwen in de risicogroep (ouder dan 35 jaar) geen vruchtwaterpunctie vanwege de kans op een spontane miskraam.

Door alleen te screenen op leeftijd van de moeder wordt maar 20 tot 30 procent van de chromosomale afwijkingen opgespoord. Er bestaat dus behoefte aan aanvullende screeningsmethoden.

Mogelijkheden om de screening op foetussen met chromosomale afwijkingen doeltreffender te maken ontstonden toen ontdekt werd dat in zo'n geval het bloed van de zwangere vrouw een afwijkend gehalte aan bepaalde hormonen vertoont. Zo is aan de Rijksuniversiteit Groningen een test ontwikkeld waarmee 50 tot 80 procent van de erfelijke afwijkingen in het bloed van de moeder kan worden aangetoond, het bezwaar is echter dat deze test ook zeven procent vals-positieve uitslagen geeft (waarbij een gezonde foetus ten onrechte als foetus met een erfelijke afwijking wordt aangeduid.)

Op zoek naar een alternatieve test kwam Snijders op het idee om naar de foetus zelf te kijken. De meeste chromosomaal afwijkende foetussen blijken typische lichamelijke afwijkingen te vertonen, die bij zorgvuldige echografie zichtbaar zijn.

De onderzoekster maakte een inventarisatie bij foetussen van 16 tot 39 weken. Ze gaf precies aan welke chromosomale afwijkingen geassocieerd zijn met welke echoscopisch zichtbare afwijkingen. Vaak blijkt het om een heel syndroom van lichamelijke afwijkingen te gaan. Sommige zijn eenvoudig te zien, voor andere (zoals afwijkingen aan hand, voet en lip) is gericht onderzoek noodzakelijk. De onderzoekster verwacht hiermee 80 tot 90 procent van de afwijkingen op te sporen. Bovendien zullen zwangere vrouwen na het ontdekken van een zichtbare afwijking bij de foetus zelf (zoals meer dan 3 millimeter vloeistof onder de huid van de nek) minder moeite hebben om alsnog voor een vruchtwaterpunctie te kiezen dan alleen op grond van indirecte aanwijzingen.

Het aantal vals-positieven bij dit echografisch onderzoek bedraagt drie tot vier procent. Uiteindelijk hoopt mevrouw Snijders dat deze toepassing van echografie tot een aanzienlijke afname van het aantal vruchtwaterpuncties, met de daaraan klevende risico's zal leiden. (Marion de Boo)