Metaalglans

Ere wie ere toekomt. Het antwoord op de vraag die de AW-redactie deze week bezig hield lag voor het oprapen in de nieuwste Winkler Prins. Het naslagwerk dat de lezer zo vaak in essentiële kwesties in de kou laat staan. De vraag was hoe het komt dat metalen, die zich als groep toch al onderscheiden door een grote hoeveelheid gemeenschappelijke eigenschappen, ook alle metaalglans bezitten. Alle gepolijste metalen die niet geoxydeerd zijn blinken als zilver en als ze dat niet doen blinken ze als goud of geelkoper. Niet voor niets hebben kinderen-van-nu het over zilverpapier als ze aluminiumfolie bedoelen en die van vroeger als ze het over tinfolie hadden. Als er chroomfolie was zouden ze het ook zilverpapier noemen.

Is het logisch dat elementen die gekarakteriseerd worden door een goede geleiding van warmte en elektricteit stuk voor stuk ook allemaal metaalglans vertonen. Zeker, zegt de Prins, dat zit hem in het elektronengas van metalen. De typische eigenschap van metaalatomen is dat de elektronen van de buitenste elektronenschil van het atoom tamelijk los gebonden zijn en dat die elektronen min of meer vrij door het kristalrooster bewegen: als een gas, als het ware. Het fenomeen verklaart waarom warmte en elektriciteit goed worden geleid en ook, maar minder makkelijk te doorzien, dat elektromagnetische straling met een golflengte (en dus energie) van die van wit licht er vrijwel niet in kan doordringen.

Geraadpleegde wetenschappers van de universiteiten van Leiden en Delft hebben daar - zonder quantummechanisch te worden - niet veel aan toe te voegen. Ze wijzen erop dat straling met wat meer energie dan het gemiddelde witte licht wèl in metalen doordringt. Sommige absorberen zelfs al wat blauw en violet en zijn van de weeromstuit gelig of rossig: goud en koper.

Soit. De belangstelling reikte deze week verder dan de metalen pur sang. Ook sommige torretjes en vieze vliegen heten wel 'koperkleurig' of 'metaalglanzend'. De rode, groene of blauwgroene glans lijkt, goedbeschouwd, in de verste verte niet op een echte metaalglans maar toch dwong het volledigheidsgevoel na te gaan of keverglans misschien verwant is aan metaalglans. Welnee. De kleuren worden toegeschreven aan interferentie, zegt de Wageningse entomoloog ir. T. Heijerman. Bij de weerkaatsting van wit licht tegen de talrijke schubjes en andere regelmatige oneffenheden op pantsers en dekschilden en dergelijke treedt een zelfde kleureffect op als bij weerkaatsing van wit licht aan grammofoonplaten en cd-schijfjes. Niets om woorden aan vuil te maken.

Maar vissen dan? De zilverwitte glans van veel geschubde vissen lijkt heel wat beter op een echte metaalglans. Waar komt die vandaan? Dat is een vraag waar bioloog dr. R. Boddeke van het Rijksinstituut voor visserijonderzoek mee uit de voeten kan. Van guanine. Of beter: van de kristalplaatjes van guanine die in grote hoeveelheden in visseschubben voorkomen. Aan het oppervlak van die plaatjes treedt een bijna volledige weerkaatsing van wit licht op. Dat inzicht bestaat al heel lang: tot in de jaren twintig werd het materiaal, ook in Nederland, in grote hoeveelheden gewonnen uit de alver, een extreem zilverwit zoetwatervisje dat nu snel zeldzamer wordt. Men bereidde er de 'essence d'orient' uit voor de coating van kunstparels. Vijf ton alver voor één ons parelessence. En dat was maar een deel van de bijzonderheden die Boddeke uit zijn handbibliotheek opdiepte.

Voor de draad ermee. Het is hier geen vrije oefening in kleur- en glanseffecten. De nieuwsgierigheid werd geprikkeld door de zilverglanzende suikerpilletjes die al sinds jaar en dag op allerlei feestelijke taartjes en taarten, en in het bijzonder bruidstaarten, zijn aan te treffen. Die keiharde kogeltjes die het oudere gebit soms zo onverwacht in gevaar brengen en die in contact met het vulling-amalgaam dezelfde stroomstoten opwekken als restjes zilverpapier. Het was die stroomstoot die opeens het vermoeden deed rijzen dat de suikerbakker wel eens echt metaal voor zijn metaalglans kon gebruiken.

Zo komen alle restvragen uit de kindertijd aan de beurt. De enige onderneming die de zilverpillen in Nederland aan de consument levert is Baukje in Rijssen, de enige die ze importeert is Dragee in Roosendaal en de enige Europese producent van betekenis is Vanparys-Candyhold in Brussel. Vanparys maakt ze al sinds 1890, zegt financieel directeur G. Bamps, en wat meer is: nog steeds wordt voor de pillen zuiver bladzilver gebruikt. Anderen gebruiken wel het kwalitatief mindere aluminium, Vanparys houdt het al een eeuw op zilver.

Zilverpillen hebben een coating van metallisch zilver. Uit de ingrediëntendeclaratie op de flesjes van Baukje is dat niet direct op te maken, die meldt alleen dat kleurstof E174 is gebruikt, maar het Additievenboekje (Staatsuitgeverij, 1985) brengt dat zonder omhaal terug op zilver. 'Een door de EG toegelaten kleurstof voor oppervlaktekleuring.' Goud is E175 maar vindt weinig toepassing. In ieder geval niet bij Vanparys die de benodigde goudvoorraad niet zou kunnen verzekeren. “Goud is nooit gedaan geweest.” Wat als goudpillen wordt verkocht bestaat uit zilver met de gele kleurstof curcumine. E100.

Vanparys bereidt zijn pilletjes, zoals vroeger de apotheker, uit een voedingspasta in een soort aangepaste betonmolen die Bamps een turbine noemt. Zijn de pillen op maat gesorteerd dan gaan ze voor de verzilvering over naar half-glazen, half-kristallen bollen. Het zilver van de toegevoegde minuscule velletjes bladzilver hecht niet aan glas of kristal, maar wel aan de pillen. Desgewenst wordt het eindprodukt nog van een laagje bijenwas of een ander glansmiddel voorzien.

De conclusie is dat de wonderlijke zilverglans van bruidstaartdecoratie geen bijzondere verklaring heeft en dat ook de elektrische effecten die met consumptie gepaard gaan volstrekt normaal zijn.