Kunsthandelaar over betrokkenheid bij nep-kunstroof; 'Onder druk handelde ik fout'

DEN HAAG, 11 NOV. “Ik heb onder druk fout gehandeld.” Dit zegt de Haagse kunsthandelaar Pieter van Voorst van Beest (47). Hij werd eind vorige maand werd aangehouden omdat hij ervan verdacht wordt betrokken te zijn bij een poging van een Wassenaarse particulier om de verzekering voor 1,3 miljoen gulden op te lichten met een in scène gezette kunstroof.

De kunsthandelaar heeft bekend een vals expertise-rapport voor de verzekering te hebben geschreven, waarin gekopieerde schilderijen omschreven worden als echte werken van bekende schilders als Maris, Mauve, Breitner en Jozef Israels, Nederlandse kunstenaars uit de periode van 1850 tot 1950, het tijdvak waarin Van Voorst bij uitstek thuis is.

Hij heeft in de afgelopen twintig jaar met zijn vrouw Jolanda een kunsthandel opgebouwd die nationaal en internationaal gerespecteerd is. Musea en belangrijke verzamelaars horen tot zijn klantenkring. Hij behoort tot een van de kunsthandelaren in Nederland die topkwaliteit op het gebied van Breitner en Isaac Israels verkopen, zegt iemand uit kringen van de kunsthandel, die het onbegrijpelijk vindt dat de kunsthandelaar zoiets gedaan heeft.

Zelf begrijpt Van Voorst niet hoe hij tot deze faux pas kwam, zegt hij, en zijn vrouw nog minder. “Elke keer als ik het hem weer hoor vertellen, denk ik: hoe is het mogelijk dat hij in zee is gegaan met die man, en zich tot deze dingen heeft laten verleiden,” zegt ze.

“Ik heb mijn vrouw en twee dochters in een hel gestort door deze affaire,” zegt Van Voorst, ”Ik heb in een soort black-out gehandeld. De schaamte zit er diep, diep in bij mij. ”

Het begon allemaal met een telefoontje van een man uit Wassenaar die zich uitgaf voor een oude kennis, vertelt Van Voorst: “Het was in de sfeer van oude jongens krentebrood. Hij vertelde dat hij toen we jong waren in hetzelfde café, De Gouden Leeuw, had gewerkt als ik om wat bij te verdienen. En hij had later, toen wij in Friesland een kunst- en antiekhandel hadden, wel eens bij ons gelogeerd en wat gekocht. Ik nam aan dat dat waar was, hoewel ik me van hem niets kon herinneren. Maar hij wist allerlei details die klopten, dus had ik weinig argwaan. Nu betwijfelen we of hij ooit bij ons is geweest. Maar goed, hij vertelde dat hij terug was uit Zuid-Afrika en een schilderij wilde verkopen.”

De man kwam met een foto van een schilderij van de Nederlandse zeventiende-eeuwse schilder De Lairesse op bezoek bij Van Voorst in zijn kunsthandel tegenover het Vredespaleis in Den Haag. Hij wilde het laten taxeren. Een veilinghuis had het al getaxeerd, zei hij, maar de waarde was volgens hem te laag. Hij vroeg Van Voorst een hogere taxatie te maken. “Dat weigerde ik, want de zeventiende eeuw is mijn specialiteit niet.”

Ze raakten aan de praat - “hij had een vlotte babbel” - en hij vertelde dat hij meer schilderijen wilde verkopen uit de periode waarin Van Voorst wel expert was. De man vertelde ook over Zuid-Afrika en hoe hij zaken deed met mensen die daar weg willen, en wat voor problemen daar allemaal bij komen kijken, ook fiscale.

“Toen heb ik een fout gemaakt,” zegt Van Voorst. “Toen het gesprek daarop kwam, vertelde ik dat ik nog twee schilderijen van Israels had, die ik jaren geleden in bezit heb gekregen door inruil bij de verkoop van andere doeken. De waarde van die schilderijen was enorm gestegen, inmiddels tot drie ton. Het waren de twee enige doeken in mijn bezit die niet op de balans stonden en ook niet op de consignatie-lijst, de lijst waarop staat welke doeken ik namens anderen probeer te verkopen. Net in die tijd was er iemand van de fiscus langs geweest, over een tien jaar oud probleem - dat overigens inmiddels is opgelost.”

Tijdens het gesprek met de man uit Wassenaar ontstond het verleidelijke opzetje om de twee Israels, die Van Voorst inmiddels vanwege de gestegen waarde wilde verkopen, op de naam van zijn gast te zetten, alsof die zogenaamd zijn eigendom waren, en Van Voorst ze voor hem wilde verkopen. Van Voorst zou daardoor minder belasting over de inkomsten daaruit hoeven te betalen. De man uit Wassenaar vond het een goed idee. In de 'oude jongens krentebrood'-sfeer was dat in een paar pennestreken geregeld.

Mevrouw Van Voorst: “Toen mijn man mij vertelde dat hij dat gedaan had zei ik: nu ben je chantabel. Ik begreep helemaal niet waarom hij zich zo'n zorgen maakte over die twee privé-Israels en de fiscus. Wij verdienen genoeg, we hebben niets te verbergen en als we ze verkochten hadden, hadden we er rustig belasting over kunnen betalen.”

Van Voorst kreeg ook spijt, en wilde het valse consignatie-rapport terug van de man. Hij zocht hem op in Wassenaar. Daar hing het De Lairesse-schilderij en “een heleboel doeken waarvan je op een kilometer afstand al kon zien dat het nagemaakte doeken waren van Maris, Jozef Israels en andere Haagse School-schilders. Ik zei voor de grap: die moet je wegdoen, en echte Maris en Israels kopen bij mij.”

Toen Van Voorst het valse consignatie-rapport terug wilde, zwaaide de man met het papiertje en zei dat hij het al aan anderen had laten zien. “Daar schrok ik van. Ik had hem toen een Hollands pak slaag moeten geven en naar de politie moeten gaan, maar dat deed ik niet.”

De man deed een tegenvoorstel. Hij had geld nodig, ongeveer een miljoen, voor een huis in Duitsland. Als Van Voorst voor de verzekering een rapport zou willen schrijven waarin stond dat de man onbekende doeken van schilders als Mauve, Maris en Breitner uit Zuidafrikaanse collecties in huis had, dan wilde hij de valse eigendomsverklaring wel terug geven. “Onder druk heb ik toen dat rapport geschreven. Ik wist dat het fout was, maar ik dorst niet terug te keren op mijn schreden. Ik zat in een trein waar ik niet uit kon stappen.”

Daarna ging alles snel. “De man besprak allerlei scenario's met mij, hoe de inbraak in scène gezet zou worden. Zijn vrouw mocht er niks van weten. Het was surreëel. Het was alsof ik in een film speelde, waarop ik geen invloed kon uitoefenen. Ik wist dat natuurlijk wel dat zo'n expertise-rapport van mij ongeloofwaardig was, maar ik onderdrukte dat allemaal. De consequenties overzag ik ook helemaal niet. Het was alsof ik een black-out had,” zegt Van Voorst. Hij ging met een bezwaard hart met zijn gezin op vakantie naar Italië en verzweeg het hele avontuur voor zijn vrouw.

De man uit Wassenaar zette deze zomer een inbraak in scène, en de Wassenaarse politie meldde deze zomer een grote schilderijenroof: 22 doeken gestolen ter waarde van 1,3 miljoen.

De verzekeringsmaatschappij, die Van Voorsts rapport bij het afsluiten van de verzekering “vanwege zijn grote faam” zonder meer accepteerde, aldus een woordvoerder van Nationale Nederlanden, kreeg argwaan toen er na de diefstal geen foto's van de meesterwerken bleken te zijn. Aan de hand van een aantal contra-expertises werd duidelijk dat de gestolen onbekende Haagse School-collectie voor 1,3 miljoen gulden uit Zuid-Afrika helemaal niet bestond.

Als gevolg daarvan werden Van Voorst, de man uit Wassenaar, H. ter H. en een handlanger die de inbraaksporen had aangebracht, eind vorige maand opgepakt op verdenking van oplichting en valsheid in geschrifte. Van Voorst bekende en kwam snel vrij. Hij moet zich binnenkort voor de rechtbank verantwoorden.

Nadat hij zijn verhaal in horten en stoten heeft verteld, benadrukt hij opnieuw hoe diep hij zich schaamt. “In de eerste plaats voor mijn vrouw en kinderen. Maar ook voor de kunsthandel en mijn collega's. Ook tegenover hen maak ik excuus. Ik heb het vertrouwen beschaamd,” zegt hij.

Denkt hij dat hij dat vertrouwen nog kan herstellen? Zullen mensen niet zeggen: hij zal wel vaker met dat bijltje gehakt hebben? Van Voorst ontkent dat ten stelligste: “Geen sprake van.” Hij wil er liever niet eens over praten: “Ik heb de kunsthandel met deze uitglijder al zo in diskrediet gebracht.” Dat er ondeugdelijke expertise- en taxatie-rapporten gemaakt worden, weet hij wel, maar “dat heeft niets met de erkende kunsthandel te maken. Dat doen mensen die onduidelijk in de marge opereren, zoals je die op ieder terrein hebt. Dat heeft niets met de kunsthandel te maken zoals wij die in Nederland bedrijven.”

Mevrouw Van Voorst: “We hebben nooit gesjoemeld. Alles is in de boeken terug te vinden, alles klopt. We zijn ook niet in financiële nood. Dat maakt het drama helemaal zo onverdragelijk: dat de aanleiding zo onbenullig is. Die twee Israels, alsof dat een probleem zou zijn.”

Pieter van Voorst van Beest knikt. “Naïef. De politie heeft me herhaalde malen gezegd dat ik zeer naïef gehandeld heb. Dat is waar. Ik heb die man mezelf op een presenteerblaadje aangeboden.

“We zullen weer helemaal van de grond af aan moeten beginnen en het vertrouwen van de klanten herwinnen,” zegt hij. Hij durft haast niet meer over straat, omdat hij het gevoel heeft dat iedereen hem aankijkt. “Maar we krijgen ook faxen en bloemen, met reacties in de trant van: je bent stom geweest, maar we laten je niet vallen. Dat geeft me veel steun.”

    • Paul Steenhuis