Flaim tussen drang tot winnen en de wens normaal te zijn

Na de Winterspelen van Albertville stopte de Amerikaanse oud-wereldkampioen Eric Flaim met lange afstand-schaatsen. Teleurgesteld. Opgebrand. In Lillehammer wil hij zijn comeback maken als shorttrack-schaatser. Gisteren won hij in Zoetermeer de 1.000 meter bij de interland tegen Nederland.

ZOETERMEER, 11 NOV. De wens normaal te zijn. Een gewone vent, die 's ochtends zijn krantje leest, 's avonds voor de televisie hangt, 's zaterdags het gras maait. Dat verlangen komt steeds terug en almaar sterker. Hij zegt dat alsof hij over het beloofde land spreekt. Grote ogen boven blond achterover gekamd haar verwijden zich.

Twintig was hij toen hij de wereldtitel schaatsen veroverde bij de allrounders. Vóór Leo Visser. Dat was in 1988 op de Medeo-baan in Alma Ata. Hetzelfde jaar dat hij derde werd op de WK sprint. Het jaar ook van de Olympische Spelen. Zilver won hij op de 1500 meter. Vierde, steeds vierde, werd hij op drie andere afstanden: op 1, op 5, op 10 kilometer. Voor de Amerikaanse media voldoende om nationwide de blijde boodschap te verspreiden, dat een nieuwe Eric Heiden was opgestaan.

Vierentwintig was hij toen hij met allround-schaatsen stopte. Dat bleef de enige overeenkomst met Eric Heiden: dat hij zijn schaatscarrière zo plotseling afbrak, en zo jong nog. In 1989 had hij de aansluiting met de wereldtop nog weten te behouden, al werd hij toen al geplaagd door een instabiele linkerknie en zwakke rug. Bij het WK voor allrounders eindigde hij toch nog als vierde, bij het WK voor sprinters als zevende.

Maar het jaar daarna lieten zijn klachten zich niet meer negeren. Vijftiende werd hij bij het WK voor allrounders. Bij de mondiale titelstrijd voor sprinters eindigde hij nog een plaatsje lager. En terwijl zijn prestaties terugliepen, nam de pijn almaar toe.

Was 1990 het jaar van narigheid en neergang, 1991 was het jaar van wanhoop en weerzin. Na een knie-operatie in de zomer van 1990 had hij de verloren tijd te snel, te gretig, willen goedmaken. Zijn lijf floot hem terug. Vijf maanden moest hij rust nemen om te revalideren. Daarna leek het of hij het schaatsen opnieuw moest ontdekken. Zijn slagen waren hoekig, krachteloos.

De Olympische Winterspelen van 1992 hadden de revanche moeten leveren voor twee verloren seizoenen. Drie gouden medailles wilde hij halen, zei hij overmoedig. Aan optimisme nooit gebrek. Maar zelfs zelfvertrouwen legt het af tegen een virus. Verzwakt werd hij nog zesde op de 5.000 meter. Op de 1.000 meter eindigde hij als 16e. Op zijn beste afstand, de 1.500 meter, finishte hij als 24e.

De teleurstelling van Albertville was één van zijn redenen om met schaatsen te stoppen. “Maar niet de belangrijkste.” Hij was het zat om “altijd maar te reizen, altijd maar in hotelkamers te verblijven, altijd maar alleen te zijn”. Hij verlangde naar “het normale leven”. “Op één plaats wonen. Vriendschappen sluiten. Een doodgewone jongen zijn.”

Daarbij had hij het plezier in het schaatsen ergens onderweg verloren. “Ik had er genoeg van. Er is nog zoveel in het leven wat ik wil nastreven. Ik voelde dat het tijd was voor verandering.”

Eigenlijk wilde hij niks meer met wedstrijdsport te maken hebben. Hij vestigde zich in Bolder, Colorado. Reed voor zijn lol op de mountainbike. Ging zwemmem in Californië. Speelde strandvolleybal. Dat hij toch weer aan de skeelercompetitie meedeed, was alleen maar omdat hij zich daar lang tevoren contractueel toe had verplicht.

Hij zegt dat hij genoot van vrijheid en vrijblijvendheid. Maar hij ontdekte ook, dat hij nog niet de rust had zich te vestigen. Hij bijt op zijn lip als hij dat vertelt. Ook ondervond hij dat hij nog steeds niet zonder “een sportieve uitlaatklep” voor zijn competitiedrang kon. En de gedachte om twee jaar na Albertville nog één keer mee te doen aan de Olympische Spelen liet hem niet meer los.

Zo keerde hij terug naar zijn oude liefde: shorttrack-schaatsen. De sport die hij als tiener had beoefend nadat hij bij het ijshockey steeds op de bank was beland. Voordat hij in 1986 de overstap naar het allround-schaatsen maakte, omdat hij zich door een valpartij niet voor de shorttrack-kernploeg had geplaatst.

De eerste maanden trainde hij in zijn eentje. Schaatsen kon hij nog steeds. Maar hij besefte dat hij in techniek en taktiek nog een lange weg te gaan had. “Want het shorttrack van de jaren negentig is niet meer de sport die ik had achtergelaten.” Dus bestudeerde hij de video-opnamen van grote toernooien. En dan vooral van Koreaanse rijders. “Je leert toch het meest als je naar de besten kijkt.”

Dat Flaim zich eind 1992 niet direct kwalificeerde voor het nationale shorttrackteam, kwam alleen door gebrek aan ervaring, zegt Jeroen Otter, de Nederlandse coach van de Amerikaanse formatie. Enkele maanden later veroverde hij toch nog een plaats in de kernploeg. Bij de WK in Peking vestigde hij meteen een wereldrecord.

Otter zegt dat Flaim een “ideale bouw” heeft voor een shorttrackrijder. Verder omschrijft hij de 26-jarige Amerikaan als een “trainaholic”, “die weinig klaagt” en “heel leergierig” is. “Een jongen die het kan maken in shorttrack. Er zijn weinig mensen in de wereld zijn die zo graag willen winnen als hij.”

“Winnen”, bevestigt Flaim, daar heeft hij alles voor over. Daarvoor wil hij zijn verlangen naar een geregeld leven, zijn wens tot wortelen, nog wel een jaar beteugelen. Ook al valt het hem zwaar om weer een jaar van huis te zijn. Weg van zijn vriendin. “Maar ik wil nog één keer naar de Spelen. Een paar gouden medailles pakken.” Alsof hij ze alleen nog maar hoeft op te halen.

Toch valt de last hem lichter dan bij het lange afstand-schaatsen. “Lange afstand-schaatsen is serieuzer”, zegt hij. “Solitair en introspectief. Meer naar binnen gericht.”. Shorttrack is extraverter, vindt hij. “Een kwestie van vertrouwen. Ook meer strijd. En dan gaat het om strijd met anderen. Niet zoals bij lange afstandschaatsen: om strijd met jezelf.”

Die strijd wil hij staken na de Spelen. “Voor 95 procent zeker”. Dan kan hij eindelijk zijn studie bedrijfskunde afmaken. Dan wil hij zijn competitiedrang voorlopig richten op het entrepreneurschap, op het creatieve ondernemen. Dan gaat hij ook een huis kopen, net als al die andere Amerikanen. “Leven als normaal persoon.”

    • Dick Wittenberg