Een partij geld

HET ADAGIUM VAN de gespreide verantwoordelijkheid blijkt binnen het CDA zelf toch minder strikt doorgevoerd dan het zich aanvankelijk liet aanzien.

Vorige week nog wees het landelijke CDA-bestuur een intern onderzoek naar financiële donaties van het bedrijfsleven aan Limburgse afdelingen van de partij van de hand. Een brief aan de bestuurders in het zuiden waarin werd gewezen op de landelijke richtlijnen ten aanzien van giften, achtte men toen voldoende. Deze week heeft hetzelfde partijbestuur alsnog besloten tot een onderzoek. Niemand minder dan Cees 'RSV' van Dijk reist af naar Limburg om te kijken wat waar is van de verhalen over giften van het bedrijfsleven aan het regionale partijapparaat. Hoewel het enige tijd op zich heeft laten wachten, is dit een verstandig besluit. In zaken waar de integriteit van de politiek in het geding is, mag maximale openheid worden verlangd. De oorspronkelijke opvatting van het CDA-bestuur dat de Limburgse afdelingen van de partij zelf wel schoon schip konden maken, was een al te ver doorgevoerde vorm van decentralisatie. Het is nu eenmaal een moeilijke figuur als de beschuldigde tevens als onderzoeker moet optreden.

Daarbij komt dat de Limburgse kwestie principiële kanten heeft die het landelijke bestuur van het CDA wel degelijk aangaan. Het gaat om de vraag hoe ver men kan gaan bij fondswerving. Al eerder is gebleken dat daarover binnen het CDA ruim wordt gedacht, ondanks het bestaan van een heldere richtlijn. Die zegt dat alleen giften van particulieren tot een bedrag van vijfduizend gulden mogen worden geaccepteerd. Toch werden het CDA-Brabant en de Noordbrabantse Boerenbond het in 1989 eens over een donatie van tachtigduizend gulden verpreid over vier jaar. Een transactie die ongedaan werd gemaakt nadat deze in de publiciteit was gekomen. In Limburg lijkt nu een U-bocht te zijn genomen. Bedrijven maakten niet direct geld over aan het CDA, maar aan een stichting die op haar beurt weer de huisvestingskosten van de partij subsidieerde.

Inmiddels is gebleken dat de handelwijze van het CDA in Limburg niet uniek is. De VVD-afdeling Maastricht heeft de stichting Vox Libera in het leven geroepen om giften van bedrijven in ontvangst te nemen. In strijd met de regels is het niet. De partij verlangt slechts terughoudendheid van de afdelingen op dit punt.

OF POLITIEKE PARTIJEN giften uit het bedrijfsleven mogen aannemen, is een vraag die zij zelf dienen te beantwoorden. Hier is geen taak voor de overheid weggelegd. Wel mag de overheid absolute helderheid vragen als het gaat om externe financiering van politieke partijen. Democratie en geld kunnen niet zonder elkaar, maar eveneens staan zij met elkaar op gespannen voet. Bij zijn oordeel over een politieke partij moet de kiezer zich op de hoogte kunnen stellen van de financieringsstromen ten gunste van een partij. Hierover ligt nu al ruim twee jaar een bruikbaar advies bij minister Dales van binnenlandse zaken. Een door haar ingestelde commissie onder leiding van de Leidse hoogleraar Van den Berg stelde voor de openbaarheid van giften aan politieke partijen en verwante instellingen formeel te regelen. Schenkingen van rechtspersonen zouden door politieke partijen moeten worden gepubliceerd. Het zou hierbij moeten gaan om zowel de naam van de schenkende instantie als de hoogte van het bedrag. Bij donaties van particulieren stelde de commissie voor de openbaarmakingsgrens te leggen bij vijftigduizend gulden.

In haar integriteitsoffensief heeft minister Dales de kern van de suggestie van de commissie overgenomen. De voortgangsnotitie 'Integriteit in de openbare sector', die zij eind vorige maand naar de Tweede Kamer stuurde, spreekt over het overwegen van een regeling die openbaarheid van de financiën van politieke partijen vereist. Tijdens de behandeling van haar begroting, vorige week, ging de bewindsvrouw nog een stap verder en kondigde zij op korte termijn een wetsvoorstel aan.

NU EEN JAAR voor de deur staat waarin maar liefst drie verkiezingen zullen worden gehouden, is het onderwerp uiterst actueel. Tegelijk is duidelijk dat er geen tijd meer is nog een wettelijke regeling tot stand te brengen voordat de campagnes beginnen. Maar niets belet de partijen vooruitlopend op een dergelijke regeling zelf alvast de boeken te openen.