Een paar dagen weg van de wereld; Te gast bij de Cistercienzers

Het zijn voornamelijk studenten en Randstedelingen die in het klooster iets zoeken dat ze in hun eigen leven nog niet hebben kunnen vinden. Vijf dagen rust, bezinning en meditatie in Abdij Lilbosch.

Er zijn ongeveer tachtig kloosters in Nederland. De meeste hebben gastenverblijven, sommige alleen voor vrouwen en andere alleen voor mannen. Gemiddeld rekent men 25 tot 30 gulden per etmaal -inclusief de maaltijden-, of naar draagkracht. In de weekends zijn de kloosters drukbezocht. Karakteriseringen van de kloosters zijn te vinden in het boek 'Kloosters in Nederland. Plaatsen voor Bezinning en Inspiratie' van Jos Palm (uitgeverij Gooi en Sticht, Baarn).

Mijn gebrekkige kennis van de katholieke begrippen wreekt zich meteen bij aankomst in het Limburgse Echt. Aan de chauffeur van de buurtbus vraag ik naar 'het klooster'. Na een rit van een kwartier stopt de bus voor een groot schoolachtig gebouw. “Hier moet u zijn”, zegt de chauffeur. In de tuin staat een houten bord: “Da Avabhasa Ashram, Meditation Refuge & Spiritual Centre”.

Maar dat was niet de bedoeling. Ik zou naar een gewoon klooster gaan. “Dit is het klooster van Maria Hoop”, legt de chauffeur uit. “Maar ik bedoelde het klooster van Pey-Echt”, zeg ik. “Oh, dat is de abdij, Abdij Lilbosch, in Pey-Echt”, antwoordt hij. Maar tenslotte maak ik dan toch mijn opwachting bij Abdij Lilbosch, waar ik als gast vijf dagen rust en bezinning zoek.

De eenogige gastenpater Egidius ontvangt me en laat het gastenverblijf zien. Ik heb een ruime fris ruikende kamer. Aan de ene muur hangt een schilderij van Maria en aan de andere een grote houten crucifix. Voor het raam staat een bureautje, er is een wastafel, een klerenkast en een smal bed.

Abdij Lilbosch werd in 1883 gesticht door de 'Cisterciënzers van de Strikte Observantie'. Deze contemplatieve orde, ook wel Trappisten genoemd, werd in 1098 in Frankrijk opgericht uit onvrede met het Benedictijner kloosterleven. Het ideaal van de stichters was de volmaakte naleving van de Regel van Sint Benedictus. De Cisterciënzers streven meer dan bijvoorbeeld de Benedictijnen naar een individuele benadering van God, in de vorm van het lezen in de bijbel en meditatie, en ze besteden minder tijd aan gezamenlijk gebed. Vijf diensten per dag is weinig, vergeleken met de Benedictijnen, die er minstens zeven hebben.

Op het bureau ligt een kaart met het dagprogramma. Onderaan staat dat de gasten wordt verzocht minstens één dienst per dag bij te wonen. De eerste is om half vijf 's morgens, de metten, en de laatste om half acht 's avonds, de completen. Vijf keer per dag wordt ook aan de inwendige mens gedacht: drie keer eten en twee keer thee of koffie.

Als ik om zes uur naar de eetzaal ga voor de avondboterham, blijkt dat de gasten de maaltijden gescheiden van de monniken gebruiken. Ik schuif aan aan een lange tafel die voor één persoon gedekt is. Pater Walther vertelt dat ook de gastenpaters zich nu terugtrekken in het Slot, het gedeelte van de abdij waar de monniken niet uit mogen en waar de gasten niet in mogen komen.

Hoog boven me hangt een lichtpeertje. Op tafel staat appelstroop, pindakaas en een een kartonnen doos met veertig kuipjes Unox leverpaté. Gelukkig wordt mijn eenzame maal onderbroken door de komst van nog een gast. Hij heet Hans en woont in Amsterdam. Hans is hier voor de vierde keer en blijft twee weken. Hij volgt alle diensten samen met de monniken in het monnikenkoor. Overdag helpt hij in de tuin. Op de vraag waarom hij hier is, zegt hij: “Ik ben geïnteresseerd in de spiritualiteit van de Cisterciënzers. Ik probeer er achter te komen wat dat precies inhoudt. Maar het is moeilijk te doorgronden.”

De volgende ochtend om half vijf bezoek ik voor het eerst de dienst. De kerk is hoog en diep, met spitsbogen en hagelwit gekalkte wanden. Tussen de monniken en de bezoekers van de dienst staat een marmeren podium met daarop een massieve marmeren tafel als altaar. De afstand tot de monniken bedraagt minsten tien meter. De gezichten boven de witte plooirijke gewaden zijn dus niet te onderscheiden. Ik hoor alleen monotone stemmen die unisono de gebeden reciteren.

In de loop van de ochtend arriveert de derde gast, Emmy, ook uit Amsterdam. De gastenpater vertelt dat het merendeel van de gasten uit de Randstad afkomstig is. Ook komen er bezoekers uit Groningen, maar bijna nooit uit Limburg en omgeving. “Uit Groningen komen veel studenten, en uit Leiden. Die trekken zich hier dan terug om te leren. De laatste twee jaar is de belangstelling erg toegenomen van mensen uit de grote steden. Ze komen hier omdat ze naar iets zoeken dat ze in hun eigen drukke leven nog niet hebben kunnen vinden. Rust en bezinning. Maar iedereen is hier welkom. Dat is ook naar de regel van Sint Benedictus. Iedere gast kan Jezus zijn.”

Rust en bezinning, dat gaat hier vanzelf. De dag heeft een duidelijke structuur die je als gast tien keer per dag iets te doen geeft: vijf keer dienst en vijf keer eten of drinken. Tussendoor ga ik fietsen op een grote herenfiets met achteruitkijkspiegel, of lezen. De twee andere gasten houden zich intensief bezig met meditatie. Beiden zijn sanyassin geweest en na het overlijden van Baghwan geïnteresseerd geraakt in het Christendom. Pater Walther heeft die ontwikkeling al vaker gezien: “Je merkt aan de mensen die hier komen dat ze zich bewust zijn van een hogere macht. Vaak hebben ze eerst die Oosterse religies geprobeerd. Maar uiteindelijk merken ze dat dat allemaal camouflage is. Dan komen ze toch weer bij het Christendom uit.”

Het aantrekkelijke aan de Cisterciënzer Orde is voor Emmy en Hans de nadruk op het mediteren den de Zen-technieken die erbij gebruikt worden. Emmy: “Het is om de ongerichtheid uit je geest te halen en rust en stilte in jezelf te vinden. Ik word er ook heel gevoelig van. Geluiden dringen bijvoorbeeld dieper door.” Op een avond mediteren we samen met een groepje dorpelingen in een kapel onder leiding van pater Malachias. We zitten op lage houten bankjes met de voeten onder ons. Twee keer een half uur heerst er volledige stilte.

Pater Malachias vertelt later wat meditatie voor hem betekent. “Het is het innerlijk en uiterlijk tot rust komen om al je aandacht te kunnen richten op het samenzijn met God. Wij hebben drie soorten contact met God: bij het bidden richten wij ons tot Hem, bij het lezen van de Bijbel richt Hij zich tot ons en mediteren is het verwijlen in elkaars aanwezigheid.”

De techniek van meditatie is in de jaren zestig beïnvloed geraakt door Zen. “Maar meditatie op zich, het woordloos gebed, maakte al deel uit van ons eigen erfgoed. Alleen was het altijd verbonden met arbeid. De eenvoudige handenarbeid was onze vorm van meditatie, al was die in de loop der eeuwen een beetje in de marge terecht gekomen. Door de kennis van het Oosten is het mediteren weer prominenter geworden.”

Sinds de jaren zestig is er meer veranderd in Abdij Lilbosch. Bij een rondleiding door het Slot, vertelt pater Egidius dat hier vroeger een spraakverbod gold, men communiceerde in gebarentaal. Hij wijst op de nissen in de muur van de kloostergang, waar in noodzakelijke gevallen iets gezegd kon worden. Nu geldt het verbod niet meer. De monniken hebben tegenwoordig ook ieder hun eigen kamer, in plaats van een gemeenschappelijke slaapzaal. En ze gaan niet meer om zeven uur 's avonds naar bed en om om twee uur 's ochtends weer op te staan. Dat is nu verschoven naar tien en vier uur.

Maar radio en televisie zijn er nog steeds niet. Zoals ze dat al eeuwen doen, nemen de monniken alleen zijdelings deel aan wat er in de wereld gebeurt. Als gast heb ik na een paar dagen dezelfde houding. Een innerlijke rust, die niet alleen kan worden toegeschreven aan de stilte, maar vooral aan de psychologische afstand van Echt tot Amsterdam. Vijf dagen lang lijkt mijn dagelijks leven verder weg dan het verste buitenland. Alsof de wereld stopt bij de kloosterpoort.

    • Hester Carvalho