De kleine kinderen van de Peruaanse Altiplano

Zijn de Peruaanse indianen zo klein omdat ze op 3800 meter hoogte leven? Misschien. Zeker is dat de middelen van bestaan zo karig zijn, dat kinderen belemmerd worden in hun groei. Gaat een kind dood, dan groeit het jongere broertje sneller.

Het proefschrift 'Agriculture and Child Health' is te bestellen door ƒ 35 over te maken op giro 3190695 van Kees de Meer in Utrecht.

K. de Meer en H.S.A. Heymans: Child mortality and nutritional status of siblings. The Lancet (1993, vol.342): 313.

K. de Meer: Mortality in children among the Aymara Indians of South Peru. Social Science and Medicine (1988, vol 26: 253-8).

De kindersterfte in het hoogland van de Andes is veel hoger dan de officiële statistieken vermelden. Dat blijkt uit het proefschrift 'Agriculture and Child Health', waarop Kees de Meer gisteren in Leiden promoveerde. De Meer is als kinderarts verbonden aan het Wilhelmina Kinderziekenhuis in Utrecht.

Volgens officiële cijfers sterft in Peru 89 van de 1000 levendgeborenen in het eerste levensjaar, maar volgens onofficiële bronnen zijn dat er voor sommige streken in de Andes zeker 300 van de 1000.

Zelf ondervroeg De Meer 86 gezinnen in vijf afgelegen Indiaanse dorpen op 3800 meter hoogte in de Andes. Ze hadden samen 493 kinderen gekregen, waarvan er 130 voor het zesde levensjaar waren gestorven, in veel gevallen rond de geboorte. Verreweg de meeste ondervraagde moeders (43 van de 51 vrouwen jonger dan 45 jaar) hadden hun laatste kind gewoon thuis gekregen zonder enige hulp van een vroedvrouw of dokter.

De hooglandindianen, die ruwweg de helft van de Peruaanse bevolking uitmaken, vormen de armste groep in een toch al arm land. Het bruto nationaal produkt van Peru bedroeg in 1989 1060 dollar per hoofd van de bevolking. Een kwart van de hooglandbewoners is ondervoed (tegen 13 procent van de totale Peruaanse bevolking), ook al sloven ze van zonsopgang tot zonsondergang op hun rotsige akkers.

Koffertje

De onherbergzame altiplano hoort tot de hoogste nog bewoonde streken op aarde. 's Nachts vriest het bijna het hele jaar, overdag schijnt de zon verraderlijk fel. Grillige regenbuien worden afgewisseld met lange, onvoorspelbare droogteperioden en als de oogst al niet door overstromingen mislukt, dan zijn het wel de plotselinge, verwoestende hagelbuien die de gewassen vernielen. Toch moet deze hoogvlakte omstreeks 10.000 jaar voor Christus al bewoond zijn geweest en tegenwoordig woont meer dan de helft van de Peruaanse bevolking (21 miljoen mensen) in het hoogland.

Zelf kwam Kees de Meer er voor het eerst zo'n vijftien jaar geleden, toen hij in de zomer drie maanden lang in zijn eentje door de Andeslanden trok. Niet met een rugzak, maar met een klein koffertje, en niet door de stad maar over het platteland, van vallei naar vallei.

Als beginnend medisch student raakte hij meteen gefascineerd door de aanblik van de Indianen die hier woonden: klein van stuk, maar lang niet slecht gevoed. 'Je las voortdurend sombere berichten over de economische crisis in Peru, maar als je dan zo'n moeder haar kind de borst zag geven was dat toch een puike baby.''

Tegen het einde van zijn studietijd (hij was naast medicijnen ook sociologie gaan studeren en zou in beide cum laude afstuderen, het diploma HTS werktuigbouwkunde had hij al op zak) keerde hij voor acht maanden terug naar Peru om zich te verdiepen in lokale behandelingsmethoden voor veel voorkomende klachten bij kinderen. 'Wat me toen vooral opviel, was de hoge sterfte onder deze kinderen, die er toch echt niet ondervoed uitzagen. Het gangbare idee dat kindersterfte en ondervoeding nauw samenhangen, leek hier niet op te gaan.''

Guerilla

Inmiddels was hij bevriend geraakt met een groepje Amerikanen onder leiding van hooglandexpert Roland Bergman, die voor de National Geographic Society een langlopend onderzoek deden naar landbouw in het hoogland. Zij hadden hier in het zuiden van Peru, aan de oevers van het grote Titicacameer, al heel wat materiaal verzameld over landbouwproduktie, ecologische omstandigheden, tijdsbesteding van de dorpelingen enzovoorts. De Meer besloot daarop in te haken met een eigen onderzoek naar het verband tussen kindersterfte, voeding en gezinsomstandigheden. In juli en augustus 1989 deed hij - inmiddels in Groningen in opleiding tot kinderarts - het nodige veldwerk in vijf dorpen. Zo werden 395 kinderen onder de veertien jaar gemeten en gewogen, ook werden schedelomtrek en bovenarmomtrek gemeten. 86 gezinnen kregen uitgebreide vragenlijsten voorgelegd.

Intussen hadden de Amerikaanse collega's met steun van particuliere sponsors een instituut opgericht om hun kennis in praktijk te brengen en de armoedige, tijdrovende landbouw in de Andes te helpen intensiveren, bijvoorbeeld door meer bomen aan te planten. In de Spaanse koloniale tijd is de hoogvlakte vrijwel geheel ontbost. Bij gebrek aan brandhout is de bevolking veel tijd kwijt aan het verzamelen en drogen van dierlijke mest als brandstof. Er blijft dan niet veel over om de akkers te bemesten en kunstmest kunnen de boeren niet betalen. Deze gang van zaken leidt tot forse stikstofverliezen en zeer lage opbrengsten. Herbebossing moet hier uitkomst brengen.

In diezelfde tijd greep de Peruaanse burgeroorlog om zich heen. 'Het is vrij uniek dat dit werk als een van de weinige bilaterale hulpprojecten desondanks heeft kunnen doorgaan,' aldus De Meer. 'Het was niet aan de regering of aan grote instellingen gelieerd en ze waren zo low profile bezig, met lokale medewerkers, dat ze haast niet opvielen.''

Vooral het noorden van het studiegebied raakte steeds meer geïnfiltreerd door guerillastrijders van Sendero Luminoso, cocaïnehandelaren en aanverwanten, die via de onmogelijkste smokkelaarspaadjes dwars door de bergen het gebied binnentrokken. Een naburig landbouwproject van Nederlandse vrijwilligers werd na bomaanvallen gestaakt en op wegen in de buurt waren verschillende Peruaanse ingenieurs vermoord. Het roerigste van de vijf voor het onderzoek uitgekozen dorpen, Pesqueria, werd alleen bezocht door de Peruaanse collega señor Juan Laura, die als autochtoon uit de regio minder opviel.

De Meer: 'We vertrokken altijd rond zonsopgang, nooit eerder, vanwege de nachtelijke onrust en we kwamen altijd dezelfde avond weer terug. Maar je moest er natuurlijk wel op tijd bij zijn, anders waren die boeren al de hort op. Het was daar in juli hartje winter. Als je 's morgens vroeg in het veld stond, kon je je pen niet gebruiken omdat hij bevroren was en vaak zag je hoe de kinderen gewassen werden met water uit een trog waarop eerst het ijs werd stukgehakt.''

IJle berglucht

Vast staat dat het menselijk lichaam zich op de lange termijn aan het leven op grote hoogte aanpast. Het gaat niet om erfelijke kenmerken van de hooglandindianen, maar om aanpassingen, die bijvoorbeeld ook bij Japanse emigranten in de Andes en bij in de Andes geboren kinderen van ontwikkelingswerkers zijn aangetoond. Als je vanaf de geboorte hoog in de bergen woont, zijn longen, hart en bloed aangepast aan de ijle berglucht waarin het zuurstofgehalte tot 40 procent lager is dan op zeeniveau.

Wel treden ernstige groeivertragingen op. De Indianen blijven sowieso kleiner, maar hun kinderen zijn ook pas rond hun twintigste uitgegroeid. Dat komt deels door de gebrekkige voeding. Gezinnen die economisch hogerop komen, hebben na twintig jaar langere en zwaardere kinderen dan hun familieleden op het platteland in de bergen. Vooral dat voedingsaspect is volgens De Meer van belang. In zijn promotie-onderzoek vond hij sterke aanwijzingen dat het met de groeivertragingen als gevolg van de factor hoogte op zich zelf erg meevalt.

Schedelomtrek

Schrijnend is het verband dat de promovendus wist te leggen tussen gezinssamenstelling en schedelomtrek (als maat voor de hersengroei). In de Indiaanse gezinnen waarin eerder een broertje of zusje was overleden, bleek het daaropvolgende kind een significant grotere schedelomtrek te hebben. Waren er zelfs twee kinderen in het gezin gestorven - en dus minder monden te voeden - dan had het daaropvolgende kind in de reeks een schedelomtrek die niet meer onderdeed voor die van Nederlandse leeftijdsgenootjes. Hieruit blijkt hoe marginaal het bestaan van de boeren in het hoogland is.

'De omstandigheden zijn zo bar dat zowel vader als moeder een groot deel van de dag op het land moeten werken en ook het feit dat het grondbezit zo sterk versnipperd is maakt het werk tijdrovend,'' aldus De Meer. 'Sommige Aymarafamilies hebben in de bergen wel vierhonderd piepkleine akkertjes waartussen ze heen en weer pendelen. Meestal is het de moeder die de kleine kinderen meeneemt naar het land. Heeft ze een kind aan de borst, een peutertje aan de hand en daarbij nog een ander klein kind, dan kan ze minder hard op het land werken en dus ook minder eten inbrengen dan wanneer bijvoorbeeld die driejarige inmiddels gestorven is.''

De tekorten die deze ondervoede kinderen in hun jeugd oplopen zijn nooit meer terug te draaien. Als een kind tot een leeftijd van een jaar of drie een te kleine schedelomtrek heeft, trekt dat misschien nog bij. Maar vanaf ongeveer vijfjarige leeftijd valt zo'n door ondervoeding opgelopen achterstand in hersengroei later nooit meer in te halen.

Geboortebeperking

Geboortebeperking ontbreekt in deze omgeving waar zowel traditionele Indiaanse religies als katholicisme naast elkaar voortleven, niet helemaal. Naar verluidt worden inheemse kruiden gebruikt om zwangerschap tegen te gaan en abortus op te wekken. Bij het natrekken van de archieven in het lokale ziekenhuis ontdekte De Meer dat van 115 vrouwen in de vruchtbare leeftijd zich tien hadden aangemeld voor methoden tot geboortebeperking. Twee van hen hadden zich, zonder dat in hun dorp rond te vertellen, laten steriliseren. Overigens heeft de Peruaanse regering onder druk van de katholieke kerk het uitvoeren van sterilisaties in overheidsziekenhuizen in 1985 verboden.

In de 86 gezinnen die De Meer zelf ondervroeg werden 10 abortussen gemeld, een aantal dat de onderzoeker nogal onrealistisch weinig leek in verhouding tot de 493 geboren kinderen. Hoewel hij zich niet expliciet met gezinsplanningsmethoden bezighield, kreeg hij de indruk dat op dit terrein bij een deel van de bevolking wel degelijk een latente vraag bestaat. Het heeft volgens De Meer weinig zin om aan landbouwhulp te doen, zonder de mogelijkheden van geboortebeperking te verruimen.

Nijpend

De situatie op het land is nu al nijpend genoeg. Door gebrek aan bemesting blijven de opbrengsten laag, en ook hagel, bevriezing, koude en langdurige droogte kunnen de oogst doen mislukken. Er trekt dan ook een voortdurende stroom emigranten vanuit de hooglanden weg naar een (veelal eveneens miserabel) bestaan in de steden aan de kust. Daarbij speelt naast de economische crisis in het huidige Peru ook de toenemende terreur en onveiligheid mee. 'Reizen door het hoogland, zoals je dat in de jaren zeventig nog gemakkelijk kon, wordt steeds hachelijker'', aldus De Meer.

Geen tijd

Van vroeg tot laat is de bevolking in de dorpen in touw. 'Dat merk je als onderzoeker meteen. Mensen hebben eenvoudig geen tijd voor je, want ze zijn razend druk,'' aldus De Meer. In een gemiddeld gezin besteden vader en moeder samen zo'n 16 uur per dag aan economische activiteiten. Dat is vijf tot zeven uur meer dan bijvoorbeeld arme boeren in de Indiase droge rijstbouw. De complete, tijdrovende zorg voor de kinderen en het huishouden (water halen, takken en droge mest sprokkelen, vuur maken, graan dorsen, pap koken enzovoorts) komt daar nog bovenop. Sommige boeren die dicht aan het grote Titicacameer woonden wagen een forse investering door een of meer mestkalveren te kopen en met afgesneden waterplanten te voeden. In tijden van grote droogte echter moet iedereen ineens zijn vee verkopen. De handelaren in de stad weten dat maar al te goed, de prijzen kelderen en veel boeren schieten er bij in.

De Meer vergeleek de gang van zaken in twee Aymaradorpen met die in drie Quechuadorpen. De Aymara vormen de oudste Indiaanse bevolking van de Andes, de Quechua zijn afstammelingen van de Inca's die het gebied in de loop van de zeventiende eeuw hebben gekoloniseerd. Beide volkeren hebben hun eigen taal en cultuur behouden. De dorpen waren zo uitgekozen dat ze op vrijwel dezelfde hoogte lagen, zo'n 3800 meter boven zeeniveau. Huishoudens in beide bevolkingsgroepen bezaten ongeveer evenveel land.

Wat vooral opviel was de versnippering van het grondbezit bij de Aymara. Gemiddeld had een Aymara-gezin 145 verschillende akkertjes tegen 16 voor de Quechua. De Aymara waren dan ook voortdurend onderweg van het ene veldje naar het andere. De versnippering van het grondbezit bleek een belangrijke factor voor sterfte van kinderen jonger dan vijf jaar. Aymarakinderen waren duidelijk beter gevoed dan Quechuakinderen, tegelijkertijd echter stierven bij de Aymara significant meer kinderen rondom de geboorte of als zuigeling. Op peuter- en kleuterleeftijd werden geen verschillen meer gezien. Ook de leeftijd van de moeder en de opleiding van beide ouders haden hun weerslag op de kinder- en zuigelingensterfte evenals de duur van het geboorteinterval.

Kindermoord

Volgens sommige antropologen zou in deze streken sprake zijn van kindermoord en in het ijzige klimaat is daar niet veel voor nodig. Zelf was De Meer er getuige van hoe bij zijn buren het pasgeboren kind stilzwijgend in een hoek van de kamer werd gezet totdat de moeder was verzorgd en van eten en drinken voorzien. Het meisje werd de volgende middag begraven. Of dit nu een incident was of een wijdverbreid verschijnsel blijft de vraag. Het feit dat jonggestorven dochtertjes die als derde of vierde kind in een rijtje worden geboren vaak in de officiële statistieken ontbreken, zou eveneens op infanticide kunnen duiden. De Meer stelde vast dat in één van de Aymaradorpen, juist waar de moeders wat beter waren opgeleid (en dus met meer ideeën over wat nu een ideale gezinsgrootte is) wel erg veel pasgeboren meisjes stierven, vooral als ze derde of hoger in de geboortevolgorde waren. Hij houdt het erop, dat de mensen onder de extreme omstandigheden op de hoogvlakte eenvoudig geen kans zien om al hun kinderen er doorheen te slepen. Besmet water, infectiezieken en ondervoeding eisen hun tol, zo blijkt uit zijn onderzoek.

Daarbij staat vast dat in de Indiaanse cultuur zeer hoge waarde aan kinderen wordt gehecht, de moeder vergezelt ze dag en nacht. 'En zelfs als het waar is dat de Aymara meer tolerant zijn tegenover infanticide, dan nog past het ons niet om daar een moreel oordeel over te vellen als je ziet hoeveel toleranter onze eigen cultuur is tegen geweld en kindermishandeling binnen het gezin - zaken die bij de Indianen beslist ondenkbaar zijn! Als je ziet hoeveel drukte bij ons gemaakt word rondom geboorte en bevalling en hoe het kind daarna rustig de hele week in een crêche wordt geparkeerd omwille van de ambitie van de ouders. Daar maak ik mij zorgen over!''

    • Marion de Boo