De dag van de wapenstilstand

Vandaag, 11 november, is het 75 jaar geleden dat er een eind kwam aan de Eerste Wereldoorlog. In het bos van Compiègne, in Noord-Frankrijk, ondertekende de heer Erzberger, een Duitse politicus, het verdrag van de wapenstilstand. De ondertekening vond plaats in een Franse spoorwagon, op een godverlaten plek, een vernedering die het Duitse opperbevel niet voor zijn rekening had willen nemen. Op 11 november 1918 was ik ongeveer 6 jaar oud en ik herinner mij die dag nog heel goed. Of liever gezegd, ik herinner mij niet de 11de maar de 12de november 1918, want het duurde een dag voordat het bericht van de wapenstilstand tot IJmuiden, mijn geboorteplaats, was doorgedrongen. Mijn ouders waren niet op een krant geabonneerd en het wereldnieuws verspreidde zich in die voor latere generaties onvoorstelbaar geworden tijd niet slechts mondjesmaat maar vooral ook door middel van horen zeggen. Zelfs een klein land als het onze was nog vol haast onoverschrijdbare en denkbeeldige grenzen. Een bezoek aan het naastbijgelegen dorp had al iets weg van een expeditie op vijandelijk grondgebied.

Welnu, toen op de ochtend van 12 november 1918 de school uitging, liep ik, met het blinde instinct van een hongerige hond, regelrecht naar huis en trof mijn moeder voor de poort van ons huis aan, in gezelschap van vier, vijf vrouwen uit de buurt. Mijn moeder had haar schort of boezelaar voor, wat er op duidde dat zij, om zo te zeggen ongekleed, haar keuken was uitgestormd. Ik vroeg wat er gaande was en mijn moeder vertelde mij dat de oorlog over was. De vrouwen keken opgelucht en geagiteerd en ik denk dat zij zich voorstellingen van de toekomst maakten, die er ineens anders was komen uit te zien. Ik was daarin nog bij lange na niet zo bedreven als zij en zonder na te denken vroeg ik mijn moeder of de wortelen nu weer een halfje kostten. Een koperen halfje of halve cent was in 1918 het kleinste muntstuk, het geringst ook in waarde, een ietsje, een snippertje meer waard dan niets. Je kon er nog net iets voor kopen, maar na het halfje hield het kopen onvoorwaardelijk op. Mijn moeder en de buurvrouwen lachten, vriendelijk en vertederd, op mijn vraag.

Waarschijnlijk is door dat halfje de dag na de dag van de wapenstilstand voor mij onvergetelijk gebleven. Door de schaarste ook in ons land waren de wortelen blijkbaar duurder geworden dan voordien en nu hoopte ik dat ze weer goedkoop zouden worden, niet meer waard dan een halfje, een snippertje, bijna niets, zodat ook een kleine jongen, die wel eens van de buurman of van een oom of tante een cent kreeg, een wortel, misschien wel twee wortelen zou kunnen kopen. Bij ons thuis werd in mijn jeugd buiten de maaltijden niets gegeten en al helemaal niet gesnoept. Voor een hongerige jongensmaag betekende een wortel een begerenswaardige lekkernij. Wanneer ik er een had bemachtigd, kloof ik hem zorgvuldig af, knaagde mij voorzichtig een weg naar zijn binnenste, zodat het langgerekte hart van de wortel bloot kwam te liggen, de tweede verborgen wortel, zachter, vochtiger en zoeter van smaak dan het omhulsel.

In november 1918 was mijn moeder 33 jaar oud, een voldongen vrouw en moeder van drie kinderen, maar voor mijn huidige tijdsbesef toch eigenlijk nog maar een meisje. Wanneer ik daar nu aan denk en haar beeld in mijn herinnering oproep, zoals ik haar toen al uit de verte, met haar boezelaar voor, tussen de andere vrouwen zag staan, wellen de tranen mij in de ogen, tranen niet alleen om haar, die een halve eeuw geleden is gestorven, maar ook om de jongens die in een van de bloedigste en waanzinnigste oorlogen van onze eeuw in de loopgraven en op de slagvelden van Frankrijk en België zijn gevallen. Gevallen voor niets. Zelfs niet voor een wortel en niet voor het in onbruik geraakte kleinste Nederlandse muntstukje.

    • Adriaan Morrien