Christelijk

Maarten had mijn stukjes over Nini gelezen. Ze leek hem aardig. “Maar toch”, zei hij, “zegt zij dat de dood niet het laatste woord heeft en dat is typisch christelijk.”

“Die vrouw is dominee!”, zei ik.

“Jaja”, zei hij. “Volgens mij heeft de dood nou juist wel het laatste woord.”

Toen, na een bijna dramatische slok bier: “Alleen, het is helemaal niet erg dat de dood het laatste woord heeft.”

Toen, na nog een slok: “De dood is de motor van de evolutie.”

De situatie leende zich niet voor een hooggestemde gedachtenwisseling, maar het koloriet was duidelijk: de schrille klank van dood, terstond gevolgd door zachte tonen van het valt misschien wel mee. De dood alleen valt ons te zwaar. We doen er woorden bij, zodat het draaglijk wordt.

In dit geval het woordje evolutie dus, een leven in het licht van Darwin en jawel, het is een prachtidee, een fraai concept van samenhang, van de onverbrekelijke eenheid tussen het organisme en zijn omgeving. Er zit zoal geen doel dan toch systeem in dit idee en ja, het wijdverbreide sterven is van dit systeem de crux.

Maar hoe mooi en overtuigend de evolutie ook wordt neergezet, ik wil er niet voor dood. Ik wil niet dood voor een idee. Want ook niet voor de vrijheid, de vooruitgang of een plekje bij de Heer.