Balloneconomie

Na de rituele, overigens goed beargumenteerde, aanvallen op de milieubeweging krijgt het vraaggesprek met Wouter van Dieren (W&O 28 okt.) een macro-economische wending en komt de verwondering naar voren over het dogma van de economische groei.

Het lijkt mij duidelijk dat dit dogma is begonnen tijdens de spectaculaire groei na de Tweede Wereldoorlog. Deze groei luidde een ongekende maatschappelijke stabiliteit in. Belangengroepen kregen hun plaats in de politieke arena en werden door financiële middelen afgekocht.

Een fundamentele vraag is hoe deze stabiliteit tot stand moet worden gebracht als het milieu echt centraal staat. Immers economisch gezien luidt dit een operatie in die wat omvang betreft nog het meest zal weghebben van de conversie van en oorlogseconomie naar vreedzame civiele produktie.

Om recht te doen aan het milieu is het zoeken naar een 'derde model' niet primair nodig. De ondernemingsgewijze produktie wordt niet per definitie gekenmerkt door groeidwang of groeiverslaving. Dat is te veel eer voor een systeem dat in zichzelf geen richting kent.

Het is op het punt van moedige regulering dat de politiek het momenteel volstrekt laat afweten. Morele appèls (het misleidende 'Een beter milieu begint bij jezelf'), de convenantencultuur en de recylcingdrift laten onverlet dat er nog geen daadwerkelijk begin is gemaakt om economische kringlopen zo te modelleren dat ze ruim binnen de grenzen blijven die ecosystemen stellen.

Hoopgevend is dat er onder brede lagen van de bevolking een groot onbehagen leeft over de frustrerende gang van zaken rond ons milieubelied. Dit komt tot uitdrukking in de snel groeiende aantallen sympathisanten van Greenpeace, het Wereldnatuurfonds, Milieudefensie en Natuurmonumenten.

Wat de milieubeweging (waartoe ik mezelf ook reken) nog te veel laat liggen is de mobilisatie van het onbehagen en een goede onderlinge strategische samenwerking (een 'echt' Groen Front dus). Ook het effectief kanaliseren van het bestaande onbehagen door nieuwe strategieën blijft vooralsnog achterwege. Zo kan men zich bijvoorbeeld afvragen of het handig is boeren met hun gifpiepers en mest tegen de haren in te strijken, in plaats van met hen om de tafel te gaan zitten. Ook dringt de vraag zich op of het afdwingen van de realisatie van bestaande beleidsplannen niet voorrang moet krijgen boven alle energie in nieuwe acties.

De kritiek van Van Dieren is in economische zin onnodig oppervlakkig en ten diepste ambivalent. De rol van de ondernemer als 'actor' wordt schromelijk overschat. In cultureel opzicht klinkt te veel het einde-van-het-millenium-gevoel door. Een dergelijke houding 'produceert' m.i. alleen maar meer mist.

    • Bert Zijlstra
    • Stichting Both Ends