Alleen hulpverleners houden Haïti overeind

MEXICO-STAD, 11 NOV. Het olie- en wapenembargo van de Verenigde Naties tegen Haïti is vandaag zijn derde week ingegaan. Op het politieke vlak hebben de strafmaatregelen van de internationale gemeenschap tegen de onverzettelijke Haïtiaanse militairen tot nu toe weinig uitgehaald. De verdreven president Jean-Bertrand Aristide is nog steeds niet teruggekeerd naar zijn land en de vooruitzichten dat hij dit op korte termijn zal doen zijn eind vorige week nog somberder geworden.

Het VN-embargo laat echter wel z'n sporen na in de Haïtiaanse economie. De sancties werden in de nacht van 18 op 19 oktober jl. gereactiveerd. Het embargo was namelijk opgeschort en niet opgeheven, nadat het in de maanden juli en augustus voor het eerst werd ingesteld om het democratiseringsproces in Haïti van een stok achter de deur te voorzien. Tegelijk met het VN-embargo werd ook een uitgebreider embargo van de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS) weer van kracht. Terwijl het VN-embargo vooralsnog is beperkt tot de leveranties van wapens, olie en olieprodukten en financiële diensten, strekt het OAS-embargo zich uit tot alle handels- en financiële betrekkingen tussen de OAS-lidstaten en (lidstaat) Haïti. Zwak punt van dit embargo: het is op basis van vrijwilligheid.

De embargo's lijken niet degenen te treffen tegen wie ze zijn bedoeld: de Haïtiaanse militairen en hun burgerhandlangers, doorgaans leden van de economische elite van het land. Hoewel de bezittingen en banktegoeden van 41 hoge militairen en vooraanstaande burgers in de VS zijn bevroren - en België en Zwitserland onlangs soortgelijke maatregelen aankondigden - geloven weinigen dat deze sancties meer dan een ongemak voor de doelgroep ervan betekenen.

Als zo vaak is het de doorsnee-bevolking die het meeste heeft te lijden onder de internationale strafmaatregelen. Haïti wordt al gerekend tot het armste land van het westelijk halfrond; de embargo's verdiepen die armoede nog eens. De belangrijkste factor is het nu vrijwel totale gebrek aan benzine in het land. De schaarste aan brandstof betekent automatisch een verhoging van de transportkosten, die wordt doorberekend in de prijzen van eerste levensbehoeften. Het brandstofgebrek uit zich ook in een verminderd aanbod aan elektrische energie, en zelfs het telefoonsysteem heeft te lijden onder het tekort aan brandstof. Een rechter in Port au Prince beval overigens gisteren Shell de benzine vrij te geven die het in opslagtanks in Haïti achterhoudt wegens het VN-embargo. Dit zou slechts voor korte tijd enige verlichting kunnen betekenen.

Inmiddels werd de ergste schade aan de Haïtiaanse economie al toegebracht toen het OAS-embargo na de staatsgreep tegen president Aristide in september 1991 van kracht werd. Naar schatting 80.000 tot 100.000 mensen verloren hun banen overwegend in de door Amerikaanse bedrijven gerunde assemblage-industrie in Haïti waarvan de activiteiten werden verplaatst naar Midden-Amerika. De handschoenen voor het Amerikaanse honkbal, een produkt dat van oudsher afkomstig was uit Haïti, worden nu elders gemaakt.

Volgens schattingen van Amerikaanse economen kromp de Haïtiaanse economie in het (Amerikaanse) fiscale jaar '91/'92 met 10 procent en in het daaropvolgende jaar met 5 procent. In het jaar 1989 bedroeg het BNP 2,4 miljard dollar en was het inkomen per hoofd van de bevolking 380 dollar. Tweederde van de Haïtianen werkt in de landbouw en visserij, maar slechts eenderde van de grond is geschikt voor landbouwactiviteiten. In Haïti heeft het verschijnsel van de ontbossing zich op grote schaal voorgedaan, en lijken herbebossingsprogramma's weinig uit te halen.

De totale ineenstorting van de Haïtiaanse economie wordt intussen voorkomen door de grootscheepse activiteiten van de honderden ontwikkelingsorganisaties, missie- en zendingsprojecten die al sinds jaar en dag werkzaam zijn in het land. Ook de Amerikaanse ontwikkelingsorganisatie AID zet zijn activiteiten in Haïti voort. Daaronder is een werkverschaffingsprogramma dat gedurende korte tijd werk biedt aan ruim 160.000 mensen. Het gaat daarbij om werkzaamheden als het repareren van wegen, het schoonmaken van irrigatiekanalen en het verzamelen van afval. De armlastige Haïtiaanse overheid ziet geen kans meer dit soort werk zelf te verrichten.

De stagnatie van de economische activiteiten in Haïti betekent dat meer Haïtianen dan ooit tevoren zullen worden teruggeworpen op een bestaan onder het minimaal aanvaardbare. Honger wordt voorshands niet op grote schaal geleden, omdat vele Haïtianen zich met subsistance farming bezighouden. Een week geleden was op de markten in Port-au-Prince nog volop voedsel te koop, zij het tegen hogere prijzen dan doorgaans worden berekend. Humanitaire hulp, in de vorm van bij voorbeeld voedselzendingen, valt niet onder de embargo's.