ABN Amro: beeld bank als booswicht onterecht

ROTTERDAM, 11 NOV. Banken krijgen te vaak ten onrechte de schuld bij een faillissement. Dit heeft Th. Meys, lid van de raad van bestuur van ABN Amro gisteren gezegd. “Publicitair krijgt een bank het zwaar te verduren vanwege de rol die hij tegen wil en dank in (dat) proces speelt”, vindt Meys. “Legio zijn de voorbeelden van grootschalige déconfitures waarbij krantenkoppen schreeuwen dat weer eens honderden of duizenden arbeidsplaatsen verloren zijn gegaan omdat ABN Amro 'de geldkraan dichtdraaide'.”

Meys deed zijn uitspraken op een bijeenkomst met de werknemersorganisaties VNO en NCW en Nederlanse vereniging voor management Nivé in Paterswolde. Hij zei dat de bank er nooit de oorzaak van is dat het zo slecht gaat met een bedrijf dat er moet worden overgegaan tot kredietopzegging. “Het begint altijd met een slechte gang van zaken, waardoor doorfinancieren onverantwoord is. Dit wordt vaak veroorzaakt door een algemene malaise, wegvallende afzetmarkten en incidentele of ander oorzaken. De rol van een falend management, waardoor de bank geen vertrouwen meer heeft in doorgaan met het geheel, wordt ook vaak onderbelicht.” Als er dan door de andere crediteuren onraad wordt geroken bij een onderneming, is er vaak geen houden meer aan. “Er wordt alleen nog contant geleverd of men wil eerst dat het bedrijf aan alle openstaande vorderingen heeft voldaan.”

De bank verstrekt volgens Meys een parasol voor in zonnige tijden, die wel tegen een kleine regenbui kan, maar niet bedoeld is als paraplu. Van een commerciële bank mag volgens Meys bij déconfitures niet worden verwacht dat het accent ligt bij het behoud van werkgelegenheid, bedrijvigheid of een unieke bedrijfstak. Voor dit soort sociaal-economische beweegredenen lijkt de overheid of een andere belanghebbende volgens de ABN Amro-bestuurder een beter aanspreekpunt, al voelt de bank zeker een bepaalde mate van maatschappelijke verantwoordelijkheid.

“Illustratief hierbij is de vorige week ondertekende overeenkomst inzake het industriefonds. Aan dit fonds van bijna 900 miljoen gulden is door de banken, waaronder ABN Amro, substantieel bijgedragen.” Vrijwel precies een jaar geleden zei Meys nog over het plan voor dit industriefonds “dat de overheid heeft bewezen ongeschikt te zijn voor het voeren van een industriepolitiek. Pijnstillers in de vorm van financiële overheidshulp kunnen maar al te gemakkelijk leiden tot uitstel van noodzakelijke reorganisaties en concurrentievervalsing.”