Wim Crouwel neemt afscheid met hommage aan het Functionalisme in 1928; Een choreografie voor elektriciteit

Tentoonstelling: 1928: Schoonheid en transparantie, logica en vernuft. T/m 9 jan. in Museum Boymans-van Beuningen, Museumpark 18-20, Rotterdam. Catalogus in het museum ƒ 39,90, elders ƒ 45.

Tijdens de tentoonstelling zijn er lezingen in het museum (14 en 21 nov., 12 en 19 dec.) en excursies langs architectuur in Rotterdam uit de jaren twintig en dertig (13 en 27 nov., 11 en 28 dec., 8 jan.). Inl. 010-441.9539.

Terwijl aan de ene kant van het Rotterdamse Museumpark het nieuwe Nederlandse Architectuur Instituut vadermoord pleegt op het Modernisme van de jaren twintig en dertig, brengt directeur Wim Crouwel in Museum Boymans-van Beuningen er een hommage aan in zijn afscheidstentoonstelling '1928: Schoonheid en transparantie, logica en vernuft'. Crouwel gebruikt zijn eigen geboortejaar als ijkpunt om het nieuwe denken en doen te bezingen. Vanzelfsprekend staat deze expositie in het nieuwe paviljoen van glas en staal, dat Crouwel als zijn voornaamste daad als directeur op het gebied van de vormgeving beschouwt.

Deze tentoonstelling was, samen met de monografie die in februari over hem verschijnt, voor de scheidende directeur aanleiding om weer eens te bladeren in oude plakboeken uit zijn tijd als student aan de Academie Minerva in Groningen. Die bevestigden zijn liefde, toen al, voor objecten waarvan de bestaansreden werd verklaard door hun verschijningsvorm: spoorwegemplacementen, bijvoorbeeld, en hoogspanningsmasten, 'een choreografie voor elektriciteit' zoals hij dat in de catalogus noemt. Dit juweel van een expositie toont een dwarsdoorsnede door de Europese vormgeving van 1928 - fotografie, typografie, architectuur, meubels, machines en gebruiksvoorwerpen - tegen een decor van journaalfragmenten, muziek van Hindemith en de spectaculaire landing van de Graf Zeppelin in Rotterdam.

Behalve de Zeppelin zijn er twee opvallende objecten die het nieuwe machinedenken vertegenwoordigen: een blauwe Bugatti - uiteraard met open klep, voor de ware Functionalist is de motor net zo interessant als de buitenkant - en een Moto Guzzi. Het beroemde affiche van de ontwerper Cassandre voor het passagiersschip de Statendam ('for real comfort'), waarvan het voorontwerp onlangs is aangekocht door Museum Boymans samen met het Maritiem Museum en het Gemeentelijke Archief, is eveneens een ode aan de nieuwe mobiliteit. Andere objecten tonen het Functionalisme juist in zijn huiselijke gedaante: radio's en telefoons, bolvazen en bloempotten van Copier, een typemachine, een föhn, een pianolampje van Gispen.

Om een beeld van de architectuur van 1928 te geven heeft Crouwel zijn blik voorbij Europa tot in Amerika laten dwalen. Het sanatorium Zonnestraal, de Van Nelle-fabriek en Rietvelds chauffeurswoning gaan niet alleen vergezeld van Le Corbusiers Villa Savoye en Mies van der Rohe's Haus Lange, maar ook van Richard Neutra's Lovell House in Los Angeles en een aantal schetsen van vooruitstrevende, zelfs excentrieke structuren van de Amerikaan Buckminster Fuller. Voor de stalen-buismeubels is met glazen panelen een apart chapiter ingeruimd. Het museum heeft originele exemplaren kunnen lenen van ontwerpen van Marcel Breuer en van Le Corbusier samen met Charlotte Perriand. Daarnaast zijn er enkele van Rietvelds beugelstoelen 'charmant, tegen het klooierige aan', zoals Crouwel liefdevol zei bij de opening. Zij markeren de overgang van het geknutsel van de Rood-Blauwe stoel naar experimenten met massaproduktie in hout, aluminium en fiber. Hier wordt een pretentieloze worsteling zichtbaar tussen de verworvenheden van het verleden en de zoektocht naar iets nieuws.

In de catalogus, een hoogvliegend ontwerp van het Londens bureau 8vo dat onder Crouwel huisontwerper van het Boymans was, is naast de bijdragen van hedendaagse auteurs als conservator industriële vormgeving Frederike Huygen en historicus Jan Bank, een artikel opgenomen van Hannes Meyer, in 1928 directeur van het Bauhaus in Dessau. Daarin verklaart hij dat het kunstwerk 'als Ding an sich' dood is, want “ons gemeenschapsbewustzijn verdraagt geen individualistische uitspattingen”. Lyrisch raakt hij van het verkeer op de Champs Elysées, 'het grootst mogelijk fortissimo van de grootstedelijke dynamiek'. In stuwend proza kondigt hij de toekomst aan: “We leven sneller en daarom langer. Het vaderland verbrokkelt. Het stadion wint het van het kunstmuseum. We leren esperanto. We worden wereldburgers!”

Nog steeds bestaan er kunstmusea, en esperanto spreken we niet, maar niettemin beschouwt Crouwel het Functionalisme nog altijd als dè grote stijl van de afgelopen twee eeuwen. Wereldvreemd is hij echter allerminst. “Het ideaal dat je met vormgeving zou kunnen bijdragen aan de verbetering van de maatschappij, is een beetje achter de horizon verdwenen. We zijn cynischer geworden, maar het is nog altijd een goed uitgangspunt.” Dat er de afgelopen twintig jaar fel verzet ontstond tegen het Functionalisme, bijvoorbeeld tegen de 'aberraties' van de Memphis-meubelen, begrijpt hij wel. “Dat zijn gezonde reacties tegen de verwording tot een dorre vormmassa. Maar het Functionalisme zelf was juist een beweging van een grote spiritualiteit.”