Toeslagen

De Pensioen- en spaarfondsenwet kent de verplichting tot gelijke behandeling van gepensioneerden en slapers bij het verlenen van toeslagen. Gepensioneerden voor hun ingegane pensioenen en slapers voor hun premievrije aanspraken hebben aanspraak op “overeenkomstige toeslagen met inachtneming van dezelfde uitgangspunten”. Er is tussen gepensioneerden en slapers eigenlijk sprake van éénrichtingsverkeer van het gelijke-behandelingsvoorschrift. Als gepensioneerden toeslagen krijgen, hebben slapers recht op overeenkomstige toeslagen. Omgekeerd werkt dit echter niet: indien slapers toeslagen krijgen, hebben gepensioneerden geen recht op gelijke behandeling met slapers wat de toeslagverlening betreft. Het toekennen van toeslagen aan slapers betekent dat hun premievrije aanspraken en daardoor te zijner tijd hun pensioen wordt verhoogd. Zij krijgen de toeslag dus niet handje contantje uitgekeerd.

De wet geeft geen definitie van wat onder toeslagen moet worden verstaan. De verplichting tot gelijke behandeling geldt voor toeslagen “hoe ook genaamd” en zo'n caoutchouc bepaling biedt natuurlijk tal van interpretatiemogelijkheden. Toeslagen zijn alle extra uitkeringen die een pensioenfonds, verzekeringsmaatschappij of de werkgever betaalt in aanvulling op de pensioenen en premievrije pensioenaanspraken. Vaak zijn toeslagen uitgedrukt in een percentage van het pensioen, soms is er sprake van een vast bedrag. In het algemeen is het doel van de toeslagen het bieden van bescherming tegen waardeaantasting van de pensioenen door inflatie. Toeslagverlening geeft dan een vorm van welvaarts- of waardevastheidgarantie.

Maar wat is de status van een extra uitkering die niet bedoeld is om de pensioenen welvaarts- of waardevast te houden? Dergelijke uitkeringen komen onder tal van benamingen voor: als feestdagenbonus, jubileumuitkeringen, verjaardagextra's, eindejaarsuitkeringen, ziektekostenvergoedingen, vakantietoeslagen. De Verzekeringskamer heeft in haar rol als toezichthoudend lichaam het standpunt ingenomen dat uitkeringen die niet het karakter hebben van bescherming tegen inflatie en die tevens onafhankelijk zijn van de hoogte van het pensioen, geen toeslag zijn. Of een uitkering wel of niet het “karakter” van een toeslag heeft, is denk ik nog niet zo eenvoudig vast te stellen. Verliest een uitkering alleen door haar geen toeslag maar feestdagenbonus te noemen haar karakter als toeslag? Een al te vrije interpretatie geeft vanzelfsprekend ontduikingsmogelijkheden. En hoe moet worden aangekeken tegen vaste indexeringen van pensioenen, zoals het geval dat de pensioentoezegging inhoudt dat het pensioen na ingang elk jaar met 3 procent stijgt. De Verzekeringskamer heeft medegedeeld dat zo'n vaste stijging een geïntegreerd onderdeel van de pensioenregeling is en daarom als pensioenuitkering en niet als toeslag moet worden opgevat. Slapers kunnen daar dan geen aanspraak op maken. De regering heeft onlangs evenwel kenbaar gemaakt dat hier van een toeslag sprake zou kunnen zijn. Beide interpretaties zijn op grond van de wettekst mogelijk en de rechter zal hier wel het laatste woord moeten spreken.

Een ander vraagpunt ligt bij de uitkeringen in natura. Dit begint in deze tijd van het jaar weer actueel te worden want nu moeten beslissingen worden genomen over de toekenning van chocoladeletters en kerstpakketten. Deze natura-uitkeringen zijn volgens de Verzekeringskamer in ieder geval geen toeslag en zij mogen dus aan slapers worden onthouden, als gepensioeerden deze wel krijgen. Het geven van chocoladeletters en kerstpakketten aan slapers is praktisch ook niet mogelijk, want de verhoging van de premievrije aanspraak met zo'n natura-uitkering is moeilijk voorstelbaar en op het moment dat de slaper met pensioen gaat is het kerstpakket al lang bedorven.

Ook het begrip slaper zorgt voor praktische vragen. De wet spreekt overigens niet over slaper maar gebruikt de term “gewezen deelnemer”. Indien een werknemer ontslag neemt of krijgt en uit een pensioenregeling stapt, wordt hij slaper. Dat is wel duidelijk. Maar hoe zit het met VUT-ers, met werklozen voor wie het FVP (Fonds Voorheffing Pensioenverzekering) de pensioenpremie betaalt en met arbeidsongeschikten die een premievrije pensioenopbouw hebben?

Een speciale uitvoeringsmaatregel - de Regeling omschrijving gewezen deelnemer - bepaalt dat men geen slaper, geen gewezen deelnemer is indien en voorzover de pensioenopbouw doorgaat. De VUT-ers, werklozen en arbeidsongeschikten hebben in zoverre de pensioenopbouw doorgaat dus ook geen recht op toeslagen. Dit kan nadelig zijn, bijvoorbeeld indien voor arbeidsongeschikte werknemers de verdere pensioenopbouw plaatsvindt op basis van een 'bevroren' pensioengrondslag, dat wil zeggen een grondslag die de salarisontwikkelingen niet meer volgt. Dan heeft deze arbeidsongeschikte werknemer geen inflatie-aanpassing van zijn pensioenaanspraken.

De Tweede Kamer heeft er al sterk op aangedrongen speciale aandacht te besteden aan de groep arbeidsongeschikten bij een evaluatie van de voorschriften inzake toeslagverlening, die rond 1 januari 1995 zou moeten plaatsvinden. Ook het karakter van de toeslag zal dan opnieuw onder de loep worden gelegd. Hoe dat ook uitpakt, een chocoladeletter of kerstpakket zal toch aan slechts gepensioneerden gegeven moeten kunnen worden.

    • Prof. Dr. E. Lutjens